§. 40. Op de vaerzen alleen komt het aanOp de vaerzen alleen komt het aan, en geenszins op derzelver
inhoud of samenhang, dien men een dichtstuk heet (§. 30.). De vaerzen zyn
toch het kunstrykste en wezenlykste deel der poëzy (§. 22.), maar de
dichtstoffe is alleenlyk haar prosaïsch deel (§. 12.), en bezit niet
dan toevallige eigenschappen, welke goed of slecht kunnen zyn, zonder het wezen der vaerzen te vernietigen.
En van den anderen kant:
Fraaije kunstmaatige vaerzen zullen altyd den kenneren bekooren, en deeze zullen den dichter toejuigchen, al zouden ze ook aan hem, als aan Ariosto moeten vraagen: ‘Waar duiker, myn vrind, hebt gy alle die zotternyen van daan gehaald?’ 220 De heer Nomsz, in het Voorbericht voor zyn' Triomf der Teekenkunst 221 , uit zich aldus: ‘Onze verstandige kritieken hebben tegen dit dichtstuk, onder anderen, één voornaame aanmerking gemaakt: zy zeiden, dat ik te veel omslag had gemaakt om een geringe zaak; en zy deeden my tevens de eer aan van te zeggen, dat ik, wat den styl der heldenvaerzen betrof, niet ongelukkig was geweest: het laatste moet de waereld beoordeelen; maar hunne aanmerking op het gedicht zelve is juist.’ -- Men ziet hieruit, dat, hoewel dit heldendichtstukje weinig |
217 Gobels, Dichtkunde, I, r.
111-112.
218 Pels, Gebruik en misbruik, r.
1345-1347.
219 Boileau, Satire II, r. 83-84
(variant: ‘au bout des vers’).
220 Ariosto (1474-1533), auteur van de Orlando
furioso.
221 Nomsz, Triomf der teekenkunst, David
Klippink, 1768, ‘Voorbericht’. KB 853 G 291.
|
|
om het lyf heeft, zulks echter van de zyde der vaerzen zeer te pryzen is; en dat, indien de geheele Triomf der Teekenkunst ten eenemaale ware te rug gebleeven, de tekenkunst wel niets wezenlyks, maar de poëzy nogthans meer dan 400 fraaije heldenvaerzen zoude verloren hebben. ‘Dit deed my besluiten,’ vaart de heer Nomsz voort, ‘myn gedicht af te keuren; doch dezelfde verstandige kritieken wederspraken dit besluit, zeggende, dat dit eenige gebrek’ (te weeten, veel geschreeuw om weinig wol) ‘niet genoeg was, om het geheele gedicht te verwerpen; dat men het zelve eerder als een poëtisch dan naauwkeurig dichtstuk diende te beschouwen.’ -- Een bewys, dat het op de vaerzen alleen aankomt, en dat zy het poëetisch wezen van een dichtstuk uitmaaken! |