§. 42. Men brenge in vaerzen wat men wil en kanMen brenge in vaerzen wat men wil en kan; want omtrent het
onderwerp zyn geene wetten voor te schryven (§. 12.). Op de vaerzen alleen
komt het aan (§. 40.), en deeze moeten welluidend en sierlyk zyn. Indien
ze toevalligerwyze eenige zedeleer bevatten, is die slechts een onnoodwendig
byvoegsel. ‘Als wy een' historieschryver leezen,’ zegt
Du Bos , ‘merken wy zynen
styl maar als het byvoegzel aan. De zaak daar 't op aan komt, is de waarheid en
de ongemeenheid der zaaken, die hy ons voorstelt. Doch als wy een dichtstuk leezen, merken wy de leeringen, die wy 'er uit haalen konnen, aan, als het byvoegzel; want het gewigtigste is de styl’ (Oordeelkundige Aanmerkingen, enz., Deel I, bl. 308) 231 . Bezit men dan alleenlyk de poëetische hebbelykheid van vaerzen naar den eisch te kunnen maaken, zo bewyze men zyn talent, door iets te vertaalen (§. 46.), of zelf te knutselen. Men beginne met gegeevene opene rymwoorden uit te vullen! Men maake sonnetten in Boutrimés; men dichte vaerzen op den zelfden trant; men vervaardige parodiën van andere reeds voorhandene bekende vaerzen, by voorbeeld op: Apol, op Helikon gezeten (Poëzy, Deel II, bl. 187-193) 232 ; gelyk Vondel zelf vier diergelyken dichtte, als Alvol, op Heele Ton gezeten; Tapvol, op Doeleton gezeten; Herarch, van Kussenzucht bezeten; en Schout Hond op 't hondekot gezeten. Zie hier een staaltje eener parodie op Vondels Bruiloftliedt, dus beginnende:
die aldus luid:
|
231 Du Bos, Oordeelkundige aanmerkingen,
I, p. 308 (daar anders: ‘het gewigtigste daarvan,
weder’).
232 ‘D'Amsterdamsche Akademi aen alle
poëten en dichters’ (WB III, p. 296; ‘Tapvol’ op p. 298;
‘Herarch’ is de beginregel van ‘Blixem van 't
Noordhollandsche synode’ (WB III, p. 344); ‘Schout Bondt’
staat in de beginregel van ‘Aen alle Honde-slagers’ (WB III, p.
408). Zie § 58; zie noot 503.
233 ‘Bruyloftslied Alard Krombalck en
Tesselschade Roemer Visschers’, r. 319-338 (WB II, p.
478-479).
|
Om aan den gang te raaken, raade ik den dichtlievenden kandidaaten, om Heyblocq, Focquenbroch , de Laauwerstryd van de juffers Questiers en De Veer , en andere vaderlanderen, tot hun voordeel te leezen 235 . Het onderwerp der vaerzen blyft, als gezegd is, altoos vry, en daaromtrent kunnen noch behoeven geene regels voorgeschreeven te worden. Elk levere wat hy wil en kan. Heeft men, door oefening en kunstliefde, zich in het vaerzenmaaken eenigszins gevormd (§. 59.), zo verzuime men geene openlyke gelegenheid, om zyn talent te kweeken en te vertoonen; men bezinge bruiloften en lykstatiën, doorluchtige mannen en geschavotteerden, kryg en vrede. Ook draale men niet te lang, met zyn dichtvermogen aan toneelstukken |
234 Anonimus, Mengelwerke<n>, p.
287. Niet getraceerd.
235 Jacobi Heiblocq, (gest. 1690), rector te
Amsterdam: Farrago Latino-Belgica of Mengelmoes van Latijnsche en Duitsche
gedichten, Amsterdam, bij Pieter van de Berge, 1662. UBL 1180 G
24.
Van Focquenbroch, zie noot 63. Cornelia van der Veer, (1639-na 1702) en Catharina Questiers, (1637-1669), Lauwer-strijt; met eenige Bij-dichten aan, en van haar geschreeven, Amsterdam, bij Venendael, 1665. KB 809 G 29. |
|
en heldendichten te beproeven; want de uitvoering zal weinig zwaarigheids ontmoeten. |