§. 44. De nederigheid is den poëeten eigenDe nederigheid is den poëeten eigen. Ik heb reeds aangetoond, dat de dichters hunne verheven kunst, vaerzen te maaken, gemeenlyk laag noemen (§. 43.); een spreekend bewys hunner nederigheid! Do De Cock 256 , in de Voorreden voor |
256 Gerhard Theodorus de Cock (1733-1808, Friese
dominee), Proeve van Bijbeldichten, Brieven, en Mengelzangen,
Leeuwarden, bij Chalmot, 1765: ‘Opdragt aan Helena Rengers’, r. 30.
UBL 1206 B 27.
|
|
zyne Proeve van Mengeldichten, vergelykt dus uit nederigheid dit dichtwerk met eene smalle en laage hut; ook zingt hy daarvan in de Opdragt:
en het is zeer eigenaartig, iets dat niet te breed is, smal te noemen. Men vind alöm voorbeelden, dat poëeten van zichzelven, zeer ootmoedig en nederig spreeken. Aldus zegt de Decker, in zyn Lof der Geldzucht:
Zo noemt Focquenbroch zichzelven:
Dus legt Jacobus Rosseau zynen zingenden kraamer, Krispyn, in den mond:
Zo laat Van Der Hoeven zynen Dokter Windmolen zeggen:
|
257 De Decker, Lof der geldsucht, p.
119.
258 Van Focquenbroch, ‘Brief aan myn Heer
van Brandwyk over zyn Avondschoolen’.
259 Jacobus Rosseau, De Zingende Kraamer of
Vermaakelyke Krispyn, Amsterdam, bij Niklaas Dor, 1718: ‘Ook heb ik
de ontmantelde Apotheker, rotkeel zonder kuyt? / Ook Aran en Titus, boertig
bereymd door ROSSEAU dat gekke poëetje’ (p. 69). KB 32 G 44.
(Jan Vos was de schrijver van Aran en Titus, Amsterdam, bij Jacob
Lescailje,1656. KB 448 L 25.
|
Zo laat Nomsz zynen Niemant zeggen:
Somtyds echter is de nederigheid der poëeten niet ter goeder trouwe, en snorkende verwaandheid onder hunne zelfbeschimpingen verborgen; want men weet, hoe zy zich belgen, als het publiek of een ligchaam kritieken hunne ronde taal naar den letter opneemt. De zo even aangehaalde ootmoedige Nomsz, dien zeker de geestigheid zyner aangebragte zelfbeschimping kittelde; hoe gevoelig beledigd vond hy zich niet van de schryvers der Vaderlandsche Letteröefeningen 262 , door hunne beoordeeling van zynen Amosis! En echter hadden die schryvers op verre na niet van hem gezegd:
|
260 Van der Hoeven, Het koffyhuis,
Toneel elf, p. 17.
261 Nomsz, Iemant en Niemant, bij Izaak
Duim, 1768: II, sc. 6. In UBL 1094 E 19:2 staat op p. 30: ‘Ei
spreekt toch Duitsch, mynheer, / Het Fransch heeft als ons Duitsch voorzeker
zyn gebreken’.
262 In 1761 opgericht door Cornelis
Loosjes.
|