§. 45. Het oorsprongklyke doet niets ten voordeele van vaerzenHet oorsprongklyke doet niets ten voordeele van vaerzen, en
|
263 Pels, Gebruik en misbruik, r.
1685-1687.
|
|
Zogenaamde Eigenvindingen hebben dus geenen voorrang boven Vertaalingen:
Het verlicht publiek en de kunstrechters vellen alzins dit oordeel, en het is nog onbeslist, wie grooter geweest zy, Corneille en Voltaire, die Pompejus en Brutus, in het Fransch, leverden 265 , of Sebille en Feitama , welken die treurspellen in Neêrduitsche vaerzen vertaalden. Apollo zelf twyfelt, en men hoore zyne uitspraak omtrent Sebilles verdiensten:
Men verlieze nooit uit het oog, dat het op de vaerzen alleen aankomt (§. 40.), en dat zy het kunstigste en wezenlykste deel der poëzy uitmaaken (§. 22.). Over het geheel is het woord Eigenvinding eene dwaaze benaaming, en zo ongerymd als het woord Dichtkunst zelve (§. 11.). Men vind vaerzenmaakers, wel is waar, die zich op hunne eigenvindingen geweldig veel laaten voorstaan; maar het is zeker belagchlyk daarmede te willen pronken, wyl daaraan niets gelegen is. Men lette slechts op het stuk. Wie schat Vondels vertaalden Virgilius en Ovidius niet |
264 Nomsz, Mengelwerken, p.
5.
265 Pierre Corneille, La Mort de
Pompée (1643), vertaald door Charles Sebille als Pompejus
(1737).
Voltaire, Brutus (1730), vertaald door Feitama (1735) en door J. Haverkamp (1752). 266 Abraham de Haen, Herderszangen en
Mengeldichten, ‘Ter gedachtenisse van den Heere Charles
Sebille’, r. 10-14.
|
|
boven eenen oorsprongklyken Aartsvader Jacob -- Salomon -- Mozes -- enz. ? Is de Iemant en Niemantvan Nomsz niet ongelyk fraaijer dan die van Vos? 267 Zyn Ryk , Sebille en Bode , niet alle drie dichters van den Dobbelaar? Elk van hun, immers, heeft dit blyspel in vaerzen gebragt of berymd; en Regnard, die den Dobbelaar 268 allerëerst dichtte, munt boven zyne drie Nederduitsche makkers over het geheel niet uit, dan door de prosaïsche stoffe en het onderwerp van zynen Joueur: eene loutere kleinigheid, die Ryk, Sebille en Bode, niet minder doen poëeten zyn. En Regnard had zynen Joueur slechts in prosa behoeven te schryven, zo zou hyzelf geheel geen poëet, en Ryk, Sebille en Bode, zouden door hun berymingen alleen dichters in dit geval geweest zyn (§. 48.). Eindelyk weet al de waereld, dat Fenelons Telemachus, hoewel oorsprongklyk, echter geen dichtstuk is; maar Feitamaas berymde vertaaling herschiep dit prosaïsche werk tot Neêrlandsche poëzy (§. 48.): hy schreef zulks door zyne vaerzen op Herkules pylaaren (§. 62.). En zeker, men zou hier een bekend vaers van Nomsz, aldus kunnen parodieeren:
|
267 De Aartsvader Jacob, ‘waar
achter gevoegd eenige gedichten, benevens een verhandeling over de verrukking
in de gewyde dichtkunst’, Amsterdam, bij Willem Immink, 1782 (zonder
auteursnaam) UBA 459 D 14; Vondel, Salomon, treurspel (1648);
Nicolaas Versteeg, Mozes in twaelf boeken (1771).
Iemant en Niemant, gerijmt door Isaac de Vos, t'Aemsterdam bij Jacob Lescaille, 1645. KB 30 H 67. (Het is een Nederlandse versie van de Duitse ‘Comoedia von Jemand und Niemand’ in de Englische Comoedien und Tragoedien, 1620. Nomsz maakte er in 1768 een bewerking van. Onder het vignet op de titelpagina staat het motto ‘perseveranter’, dat Hoffham in Al stond 'er de galg op gebruikt als de latijnse vertaling van de titel van zijn toneelstuk.) 268 Jean François Regnard (1655-1709),
Le Joueur, 1696.
Charles Sebille (gest. 1738), boezemvriend van Feitama, De dobbelaar, naar Regnard, bij Izaak Duim, 1741. KB 1094 G 14:4. Frans Rijk, toneelschrijver en vertaler, oprichter (omstreeks 1680) van het kunstgenootschap ‘In magnis voluisse sat est’: De dobbelaar, bij Isaac Duim, 1736. KB 443 A 40. ‘Matthys Bode [had] er eene nooit gedrukte vertaling van gemaakt’ (Te Winkel, Ontwikkelingsgang, III, p. 248). 269 Nomsz, Mengelwerken, juist
geciteerd.
|