§. 48. Wy maaken uitheemsch prosa tot dichtstukkenWy maaken uitheemsch prosa tot dichtstukken; dan namelyk, als
wy dat prosa vertaalen en in vaerzen brengen. Deeze handelwyze is zo gemeen in
ons land, als het insmelten van uitheemsch goud, om 'er Hollandsche dukaaten
van te munten. Dus heeft
Feitama Fenelons prosa waarlyk tot
een heerlyk heldendicht gevormd; en dus heeft vooral zo menige dichterlyke hand
onder ons het onbeduidend prosa der Fransche en Hoogduitsche tot uitmuntende
tooneelstukken herschapen. Of wie weet niet dat, by voorbeeld, de Vrek, de
burgerlyke Edelman, de ingebeelde Zieke, de belagchelyke hoofsche Juffers, het
gedwongen Huwelyk, Filebout, Scapyn, het spookend Weêuwtje, de geschaakte
Bruid, de bedrogen Officier, de Graaf van Olsbach, Natalia, de adelyke Landman,
de Deserteur uit kinderliefde, de deugdzaame Armoede 281 , enz, enz, oorsprongklyk slechts eenvouwdig prosa, en dus geene waare tooneelstukken (§. 35.) zyn? Bertuchs Elfride is niets dan een lap prosa, maar Kasteleyns Elfride is een keurlyk treurspel; en de Neêrduitsche dichter zegt derhalve in zyne opdragt voor dat stuk:
en laager:
te recht; wyl in het oorsprongklyk Hoogduitsch haar de poëzy mangelt 282 . Het berymen van uitheemsch prosa is de nuttigste oefening der poëzy, het doorslaanste bewys eener poëetische hebbelykheid (§. 46.), en verdient dus den byval van alle vernuftigen. Slechts eenen Mercier, dien onbesuisden en onverzoenlyken vyand der kunst, kan zulks mishaagen. Aldus uit hy zich, in deeze betrekking: ‘La satiété ne corrige point les malheureux rimeurs; ils s'obstinent à mettre en vers alexandrins, lourds & pesants, Thompson, Zacharie, Télemaque, Gesner, Buffon; & puis ils appellent poême un salmigondis poétique, qui donne à tout un public une indigestion |
281 De Vrek: L'Avare (1668); De
burgerlyke Edelman: Le Bourgeois Gentilhomme (1670); De
ingebeelde Zieke: Le Médecin malgré lui (1666); De
belagchelyke hoofsche Juffers: Les Précieuses ridicules
(1659); Het gedwongene Huwelyk (1682): Le Mariage forcé
(1664); Filebout (Fielebout of de doktor tegens dank, 1680):
Le médecin malgré lui (1666); Scapyn: Les
Fourberies de Scapin (1671), alle van Molière.
Het spookend Weêuwtje: naar het Frans van Antoine le Métel d'Ouville (1670). De geschaakte Bruid, of Verliefde reizigers: Blijspel (NIL), 2de druk in 1717. De bedrogen Officier, door E. van Elvervelt, naar Diderich Menschenkraek van Ludvig Holberg (1724). De Graaf van Olsbach, van Johann Christian Brandes in 1778 in Kasteleyns vertaling in Amsterdam vertoond. Natalia naar het Frans van Louis Sébastien Mercier, door Bartholomeus Ruloffs (1777). De adelyke landman: F.G. von Nesselrode, Der adelige Taglöhner (1774), uit het Duits vertaald door Anthony Hartsen (1719-1782) in 1779. De Deserteur uit kinderliefde: Gottlieb Stephan de Jonge, Der Deserteur aus Kindesliebe, vertaald door Anth. Spatsier (1777). (Als De Deserteur uit ouderliefde staat hetzelfde stuk, ook door Anth. Spatz[!]ier vertaald in de Spectatoriaale Schouwburg, deel 11, van 1782, maar Hoffham citeert daar niet uit). De deugdzaame Armoede (1776) naar L'Indigent van Louis Sébastien Mercier (1772), door J.J. Hartsinck (1716-1779). 282 P.J. Kasteleyn, Elfride, naar het
Duits van Friedrich Justinus Bertuch (geb. 1747 in Weimar), Elfride
(1775). De proza-Elfride van 1778 in de Spectatoriaale
schouwburg, deel 6, maakt in 1783 plaats voor een gerijmde versie, bij de
Erven David Klippink, waarin een opdracht aan de leden van het tooneellievende
genootschap ‘Utile et amusant’ (‘Proficit et recreat’
op titelpagina). UBA 687 E 33.
|
|
de vers pour dix années’ (Tableau de Paris, Tom. VIII, pag. 168) 283 . -- Doch, het is Mercier! Ook ons Neêrduitsch prosa word door kunstvlyt somtyds tot dichtstukken gemaakt; want elk vaderlandsch poëet, die het Gebed onzes Heeren heeft berymd, heeft dienvolgens een dichtstuk vervaardigd (§. 68.): 't welk de verzameling van Paternosters van de heer Couck, door Lucas Pater (Pater, Poëzy, bl. 224) bezongen, kan getuigen 284 . -- Zelfs Vondels Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, die hy in proza schreef, is door een' geestig' dichter (§. 38.) uit ondicht in dicht gebragt 285 . -- En Janus Pindarus getuigt van het genootschap der Paruiken, dat deszelfs leden hun werk maakten, van ‘koeranten, plakkaaten, kwakzalversberichten, begraafnisbriefjes, en diergelyke prosastukjes, in heldenvaerzen over te brengen’ (De Kosmopoliet, Deel II, bl. 184) 286 . |
283 Mercier, Tableau de Paris, VIII, p.
168.
284 Pater, Poëzy, ‘Aan den
Welëdelen Heere Joan Couck, op zyne verzameling van het gebed onzes
Heeren, door verscheiden Nederlandsche Dichters berymd en
uitgebreid’.
285 Vondels Aenleidinge ter Nederduitsche
Dichtkunste is berijmd in Ernstige en boertige mengelstoffen, II, p.
198-224. Zie noot 212.
286 De Kosmopoliet, nr 76 van 9 juni 1777
(spellingsvarianten: ‘kouranten’,
‘overtebrengen’).
|