§. 50. De poëtische vryheid is alleen betreklyk tot het vaerzenmaakenDe poëtische vryheid is alleen betreklyk tot het
vaerzenmaaken; tot trant en rym, tot de taal en het spellen; geenszins tot den inhoud der vaerzen zelven. De zaak is klaar: den dichter, als dichter, behoeft geene byzondere vryheid te worden toegestaan; want hy zegt wat hy wil (§. 42.). Maar dus is het in geenen deele met den vaerzenmaaker gelegen. Hem belemmeren duizend kunstwetten: zyn styl is gebonden, en behoeft noodwendig zekere poëetische vryheden; of de rymer zou niet zelden verlegen staan, en dikmaals zyn doel geheel niet kunnen treffen. Vondel zong derhalve met Horatius:
En gelyk de schilder eene verf kan kiezen, en eenen penseelstreek kan trekken, gelyk hy wil: zo ook kan de dichter eenen vaerstrant en rymwoorden naar zyn believen verkiezen. De poëetische vryheden, met betrekking tot het vaerzenmaaken, zyn menigerlei, en men moet ze by de dichters zelven gadeslaan. Daartoe behooren vooral, het inlasschen van stoplappen (§. 51.), het smeeden van nieuwe koppelwoorden (§. 99.), het uitrekken, inkrimpen, afkappen, of veranderen der woorden, ten behoeve van den trant of van het rym (§. 98.), het verknoeijen van woorden, die in vaerzen zich geheel niet plooijen, enz., enz. Ontmoet, by voorbeeld, een poëet somtyds woorden, die zich noch tot rymklanken |
294 ‘Uit Horatius Dichtkunst’, zie
noot 96.
|
|
schikken, noch in de maat willen buigen: (gelyk Antonides met Bellericae, Chebulae, Emblicae, het niet wel wist te klaaren) zo bedient hy zich van de poëetische vryheid, en laat die kwaade woorden geheel weg uit de vaerzen, zet ze op den kant, en zegt:
Met behulp van even deeze vryheid, zingt de heer De Cock:
en zegt daarnevens in eene noot: ‘In den tekst worden twee geduchte hoofden der Assyrische heerschappy, Nimrod en Nebukadnezar, gemeld. Ik hebbe beide deeze naamen weggelaaten, om dat ik
Tot de poëetische vryheden behoort verder, het veranderen van een' locus communis, welken de poëet in zyne vaerzen aanhaalt, in zo verre die verandering ten gevalle van het rym geschied. By voorbeeld, zo zingt Vondel, in plaats van: De yver van uw huis heeft my verteerd (Psalm 69, vs. 10.), op eene plaats:
|
295 Antonides, Ystroom. De genoemde
geneesmiddelen staan in een voetnoot bij dit vers, dat wordt gevolgd door:
‘Die stoppen 't los gedarmte, en vegen maege en longen / Te veel van
kleevend slym of zwarte gal besprongen’.
296 De Cock, Proeve van Bijbeldichten,
Voorrede (zie noot 256).
297 ‘Lykdicht op Henrik Halman
S.J.’, r. 14-15 (WB X, p. 616).
|
|
en op eene andere plaats:
en in zyn berymd Geloof (want Vondel geloofde niet in prosa) doet de poëetische vryheid, ter gunst van het rym, hem de opstanding der aderen geloven:
't Is waar, dat Vondel te dien tyde Roomsch was; maar zyn tydgenoot Jacob Heyblocq, een goed orthodox gereformeerde, die zeker van den Boozen wenschte verlost te worden, zong echter:
Het is blykbaar, dat de dichter deeze poëetische vryheid enkel ten behoeve van de rymwoorden laaden en daaden genomen hebbe, want dus vervolgt hy:
De kunstkenners spreeken geduurig van de poëetische vryheid, als betreklyk tot het vaerzenmaaken, tot de taal, spelling, enz. -- Hoogstraten zegt, in het Bericht voor den eersten druk zyner Lyst van zelfstandige naamwoorden, bl. XLIII: |
298 Davids Harpzangen, (WB VIII, p. 395,
r. 41-42, alwaar geen komma tussen ‘verslont’ en
‘verruckte’).
299 ‘Het geloofsteken der
apostelen’, r. 36 (WB V, p. 704).
300 Heiblocq, Farrago Latino-Belgica, p.
26 (variant: ‘zeste’).
|
|
‘gelyk wy ook zorge gedragen hebben van geene plaatsen bytebrengen, dan die in 't rymeloos geschreven zyn, op dat men niet schreeve, dat de poëeten zich veele dingen inwilligen, en alles durven bestaan, om hunne vaerzen goet te maaken’ 301 . En zyn uitgeever A. Kluit maakt daarop de aanmerking: ‘Men is zeker in gebonden rede wel zo net en naauwkeurig als in ongebonden, en ofschoon men meer dichterlyke vryheden gebruike, men bederft daarom echter geen taal.’ -- Behalve dat we op 't woord Min zien zullen, dat Vondel meermaalen door eene poëetische vryheid de Lidwoordekens op de beteekende zaak, en niet op 't woord thuisbrengt’ (Lyst van zelfstandige naamwoorden, bl. 12, in de Noot). Feitama, van de taal en spelling in zynen Telemachus spreekende, zegt: ‘Ik twyfel niet, of alle rechtschapene dichtminnaars zullen deeze goeddunkelyke poëetische vryheden, in weêrwil der beuzelende muggenzifters, gaarne toestemmen’ (Voorrede voorTelemachus) 302 . --- En de Hollandsche Spectator, in zyne verdediging van vader Cats, is van begrip: ‘dat onze dichter, om de maat van zyne digtregels te vinden, en het rym goed te maken, de poëetische vryheid vry wat ver uitrekt’ (Deel I, bl. 426) 303 . Omtrent het meer of minder gebruik der poëetische vryheid, komt het wederom op de poëetische konsientie aan; en Antonides zegt derhalve: ‘dat veelen rustigh eene vryheit inwilligen, die hem anderen, van naeuwer gewisse in de |
301 David van Hoogstraten, Aenmerkingen over
de geslachten der zelfstandige naamwoorden, Amsterdam, bij François
Halma, 1700, ‘Berecht’ [p. 17]. KB 2105 A 149-2.
302 Telemachus, Voorrede, p. XV.
303 De Hollandsche Spectator, I, p.
426.
|
|
dichtkunst, voor een vleck van ongebondenheit en onbesnoeiden styl zullen aanwryven’ (Voorrede voor denYstroom) 304 . |
304 Ystroom, Voorrede, p. 1, r.
11-14.
|