§. 51. Stoplappen zyn in vaerzen geoorloofdStoplappen zyn in vaerzen geoorloofd; want zy zyn een deel der poëetische vryheid (§. 50.). Een dichter heeft namelyk de vryheid, om, somtyds en met oordeel, overvloedige of gewrongene phrases in zyne vaerzen te schuiven, het zy om een behoevend rymwoord te vinden, of om den vaerstrant vol te maaken. En, gemerkt het rym de ziel van een vaers is (§. 25.), zo zyn de stoplappen niets anders dan willekeurige ligchaamtjes, welken de poëeten scheppen, om de ziel, die hen op de tong ligt, daarin te kleeden en daarmede te omzwachtelen. De stoplappen zyn in vaerzen ten eenemaal onontbeerlyk, en het gezag der kunstrechters en dichters wettigt alzins derzelver gebruik. Trublet zegt: ‘Il y a beaucoup de vers chevilles dans nos meilleurs poëtes’ (Essais de letter. &c., Tom. IV, p. 219) 305 ; en Boileau troostte zich hunner hulpe:
Vader Vondel gewaagt, van zich ‘ter noot doorgaens met geleende pluimen van rym- en noodige stopwoorden te decken’ (Opdragt voor den vertaald. Virgil. in prosa) 307 . En waarlyk, Vondel wist doorgaans van wel aangebragte stoplappen zeer gerieflyk zich te bedienen. By voorbeeld: |
305 Trublet, Essais de littérature et
de morale, IV, p. 252 (variant: ‘chevillés’).
306 Boileau, Satire II, r. 36.
307 ‘Opdragt aan Konstantyn Huigens by den
vertaalden Virgilius in prosa’ (WB VI, p. 43, r. 44-46). Zie noot 176 en
558.
|
De staarten deezer beide vaerzen zyn stoplappen en Ovidius heeft 'er niets van.
dubbelde stoplappen!
Hier is de staart weder een stoplap; en Huydecoper vraagt: ‘Wie zyn deeze genooten, die niet zelfs in den drommel begreepen waren?’ (Proeve van Taal- en Dichtk., bl. 213) 309 .
zonder reden en vreemd van reên -- ‘Twee stopwoorden om 't rym,’ roept Huydecoper weder uit: ‘te meer gebrekkelyk, om dat zy 't zelfde zeggen’ (Proeve van Taal- en Dichtk., bl. 212). 311 Hoewel nu Huydecoper, die keurmeester onzer taal en dichtkunde, de stoplappen wel niet pryst, als poëetische schoonheden, duld hy ze nogthans, als poëetische vryheden; want by zyne kritiek van Moonens 312 vaerzen:
|
308 De vier citaten zijn afkomstig uit resp.:
Ovidius' Herscheppinge IV, r. 147 (WB VII, p. 519). Ovidius' Herscheppinge X, r. 780 (WB VII, p. 769). Ovidius' Herscheppinge XI, r. 155-156 (WB VII, p. 785). Ovidius' Herscheppinge III, r. 937-939 (WB VII, p. 511). 309 Huydecoper, Proeve van taal- en
dichtkunde, p. 213.
310 Ovidius' Herscheppinge III, r.
867-879 (WB VII, p. 509).
311 Huydecoper, Proeve van taal- en
dichtkunde, p. 212.
312 Arnold Moonen (1644-1711, Deventer
predikant), Poëzy, Amsterdam en Utrecht, bij François Halma
en Willem van de Water, 1700, ‘Lykdicht op De Ruiter’, p. 312.
KB 758 C 46.
|
|
die hy aldus verbetert:
ruilt hy stoplappen met stoplappen: en hyzelf merkt hier aan: ‘stom van wee, zal licht iemand zeggen, is een stoplap: zo is 't; doch die staat hier om de plaats te vullen van een anderen, te weeten, wyt en dicht, waarvan Moonen zich bedient, om het rym te vinden’ (Proeve, enz., bl. 82) 313 . --- Men ziet hieruit, dat, omtrent de stoplappen, het oordeel van meester Jochem geregeld geld:
|
313 Huydecoper, Proeve van taal- en
dichtkunde, niet p. 82 maar p. 83.
314 Pieter Langendyk, Don Quichot op de
bruiloft van Kamacho, Amsterdam, bij Hendrik van der Gaete, 1712, II, 2 (p.
31). KB 2211 C 15.
|