§. 52. Het vaerzenmaaken vereischt genieHet vaerzenmaaken vereischt genie, gelyk alle fraaije kunsten zulks vereischen; en het zy nu dat men de genie met Du Bos , met Trublet, met Sulzer, met Abt 315 , of met nog anderen, dus of zó bepaale: zo heeft elk mensch geenszins de natuurlyke gaaf om vloeijend te dichten. Niet elk mensch bezit die onweêrstaanlyke drift, dat scherpzinnig gevoel, dien levendigen geest, (esprit, witz) dat fyne oordeel, die kracht der ziel, welke tot het vaerzenmaaken zo noodwendig zyn. Met één woord, men moet genie bezitten, zal men het rechte rymwoord vinden. Dit deed Boileau uitroepen: |
315 Johann Georg Sulzer (1720-1779),
Allgemeine Theorie der schönen Künste und Wissenschaften, 2
delen, Leipzig, Weidemanns Erben und Reich, 1771-1774. KB 1308 A 11.
Thomas Abbt (1738-1766, werkte samen met Nicolai, Mendelssohn en Lessing mee aan het tijdschrift Briefe, die neueste Literatur betreffend (1759-1765). Hij publiceerde Vom Verdienste in Berlijn bij Nicolai (1765), dat als Over de verdiensten in Utrecht bij Van Paddenburg (1777) werd uitgegeven). |
Du Bos merkt derhalve zeer juist aan: ‘dat een verstandig man wel één vaers kan maaken, maar dat men een poëet (een genie) moet zyn, om 'er drie op te stellen’ (Oordeelk. Aanmerk., Deel II, bl. 17) 317 . Zulks bleek aan den grooten Malebranche. Hy wilde ook éénmaal beproeven vaerzen te maaken, doch was onvermogend meer dan deeze twee te leveren:
en ook die beide vaerzen wierden van zyne vrienden nog dapper berispt, wyl hy zich in het rymwoord ‘onde’ van eene al te groote poëetische vryheid (§. 50.) had bediend (Trublet, Essais etc., Tom. IV, pag. 193) 318 . Zo zeker het nu is, dat het vaerzenmaaken genie vereischt, even zo gewis is het ook, van den anderen kant, dat, waar deeze poëetische genie in eenig mensch schuilt, zy geenszins in gebreken blyft, ondanks alle hinderpaalen, met kracht door te breeken, en luisterryk zich te vertoonen. Du Bos vervolgt derhalve zyne redenering over dit onderwerp aldus: ‘In Parys heeft men uit twee winkels, die waarlyk niet al te aanzienelyk waaren, twee dichters zien voortkomen; naamenlyk de Nevere, een slotemaker, en le Cordonier, die men de laarzelapper van Apollo noemde. Aldaar heeft men ook over zestig jaaren |
316 Boileau, Satire II, r. 1 en
6.
317 Du Bos, Oordeelkundige aanmerkingen,
II, p. 17.
318 Trublet, Essais de littérature et
de morale, IV, p. 222. Nicolas Malebranche (1638-1715, Oratoriaan, beroemd
klassiek Frans prozaïst).
|
|
zekere Aubry gehad, die een meester straatemaaker was, welke treurspelen van zyn maakzel ten toonneele bragt. Ook is 'er een koetzier geweest, die niet leezen kon, en nochtans vaarzen maakte’ (Oordeelk. Aanmerk., Deel II, bl. 44) 319 . -- En, dat de invloed der genie tot vaerzenmaaken onweêrstaanlyk zy, kan vooral in ons gemeenebest, door duizend voorbeelden gestaafd worden. |
319 Du Bos, Oordeelkundige Aanmerkingen,
II, p. 44.
|