§. 53. Men moet tot vaerzenmaaker geboren zynMen moet tot vaerzenmaaker geboren zyn; want het vaerzenmaaken vereischt genie (§. 52.) en is eene groote kunst (§. 7.).
Ook is zulks geen wonder; naardien men in den grond tot ieder kunst, tot elk beroep, zal men daarin uitmunten, geboren moet zyn: en de Kosmopoliet heeft betoogd: ‘dat men zo wel tot postillon als tot poëet geboren word’ (Deel II, bl. 19) 321 . Het genootschap der Paruiken bewyst zulks mede; want dus spreekt de voorzitter dier societeit: ‘Wy kunnen, zonder verwaandheid, ons op eene onmiddelyke roeping tot onzen stand beroemen, naardien wy, zonder ooit tot de dichtkunst opgeleid te zyn, door eene wonderdaadige kracht en natuurelyke bekwaamheid, aan het |
320 Boileau, L'Art poëtique, Chant
I, r. 1-4.
321 De Kosmopoliet, nr 56 van 20 januari
1777.
|
|
vaerzenmaaken zyn geraakt. Apollo heeft met elk onzer onnaspoorlyke wegen gehouden’ 322 . -- Want de poëetische roeping en natuurlyke bekwaamheid tot vaerzenmaaken, is niets anders, dan de ontzwachteling der vermogens van den geboren' vaerzenmaaker. Van den anderen kant is het klaar, dat geborene vaerzenmaakers niet kunnen nalaaten vaerzen te maaken, weshalve ‘de kleene Ovidius, toen hy gekastyd werdt, om dat hy vaerzen maakte, in vaerzen beloofde, nooit weêr vaerzen te zullen maaken’ (Du Bos, Oordeelk. Aanmerk., Deel II, bl. 29) 323 . Van daar, om geene andere voorbeelden hier by te brengen, de verbaazende vaerzen:
en men ziet dus ook hieruit, dat meester Jochem recht hebbe uit te roepen:
De reeds gedachte Kosmopoliet, die dit onderwerp nog uit een ander en waarlyk zeldzaam oogpunt beschouwt, zegt onder anderen: ‘dat een jongeling zich billyk moge huwbaar rekenen, zo dra hy eenige bekwaamheid om vaerzen te maaken, in zich begint te bespeuren. --- Dat een man, die nooit een vaers gemaakt heeft, en, zich in de echt begeevende, binnen het eerste jaar zyner verbindtenis eene telg |
322 De Kosmopoliet, nr 76 van 9 juni
1777.
323 Du Bos, Oordeelkundige Aanmerkingen,
II, p. 29.
324 Pels, Gebruik en misbruik, r.
751-752.
325 Langendyk, Don Quichot, II, 1 (p.
25). Zie noot 314.
|
|
verkrygt, met reden van zich zelven moge oordeelen, poëet geboren te zyn,’ enz. (Deel II, bl. 149) 326 . |
326 De Kosmopoliet, nr 72 van 12 mei
1777.
|