§. 54. Tot een' vaerzenmaaker word een goed geheugen vereischtTot een' vaerzenmaaker word een goed geheugen vereischt. Niet slechts de dichter, als logenaar (§. 19.), maar ook vooral de poëet, als vaerzenmaaker, heeft een gelukkig geheugen zeer noodig. Dit zielsvermogen is het voornaamste dat op de poëzy invloed heeft; wyl de imitatie, of naarvolging, in het vaerzenmaaken eene hoofdrol speelt, en naardien het geheugen de tresoor der kennisse is. Ook is het niet vreemd, dat tot het vaerzenmaaken een goed geheugen verëischt worde, als men beseft, dat de zanggodinnen dochters van Mnemosyne, of van het geheugen, zyn:
Men vind alom poëetische blyken, die deezen regel staaven. By voorbeeld, Reinier Anslo 328 zong:
Wie bemerkt nu niet, dat Joan de Haas een goed geheugen gehad hebbe, terwyl hy in 't begin van zynen Judas 329 , dien aartsschelm schildert ? als die
|
327 Proeve van dichtoeffening,
‘Vaerwel aen de zanggodinnen’, p. 167-177.
328 Reyer Anslo (1623-1669), Poezy,
Rotterdam, bij Barent Bos, 1713: ‘Martelkroon van Steven den eersten
martelaar’, p. 7-38, r. 21-22: ‘Toen Judas zocht zyn' Heer door
vriendtschap te beschaden, / Te leevren door een' kus, geen teken van
verraden’. UBL 1173 G 16.
329 Joan de Haes (1685-1723), Judas de
verrader, Rotterdam, bij Johannes Hofhout, 1714, p. 1, r. 4-5 en p. 10, r.
15-17. KB 1350 B 114.
|
|
De zelfde De Haas, door zyn uitsteekend geheugen gesterkt, zingt wyders:
en men moet bekennen, dat die poëet Vondels vaerzen sterker licht en schaduw gegeeven hebbe; want de plaats die ik bedoel luid alzo:
Even zo vertoonde H.K. Poot een gelukkig geheugen, als hy deeze vaerzen maakte:
want hy had niet vergeefs by Vondel geleezen:
Vooral had Poot zyne herdersklacht Zoethart (Poëzy Deel I, bladz. 249) 333 aan zyn treflyk geheugen, by het leezen van Antonides herderszang Dafnis (Mengeld., bl. 181 enz.) 334 zeer zigtbaar te danken. |
330 Palamedes, r. 1329-1331 in de editie
1707 (zie noot 170). WB II, p. 703, wijkt beduidend af: ‘De schaduwe is
aen 't overleenen. / De nacht het opgeeft. voor sigh heenen / De morgenstar
drijft's hemels heyr’.
331 Poot, Poëzy I, niet p. 337 maar
p. 357): ‘Valsche vrientschap aen Gratianus’.
332 Ovidius' Herscheppinge X, r. 18-21
(WB VII, p. 744).
333 Poot, ‘Zoethart, Herdersklagt over de
doot van xxx’.
334 Antonides, Mengeldichten, p. 181-184,
‘Dafnis, Op den dood van Joan F. Gimmenig’.
|
|
De dichter G.T. de Cock, na het schryven van het vaers:
belyd derhalve openhartig (Proeve van Mengelzangen, bl. 152. enz.) 335 : ‘Ik moet den leezer zeggen, eer deeze of geene vitter 't hem beduide, dat, toen my dit vaers uit de pen rolde, deeze twee dichtregels van denYstroom-dichter my in de gedachten speelden:
Met één woord, het leezen onzer poëeten zal een' aankomenden vaerzenmaaker verschiet van oude voorbeelden en van nieuwe stoffen verschaffen, met welken hy zyn voordeel heeft te doen, en die hy aan zyn eigen geheugen moet aanvertrouwen. Hier behoort het zeggen van Vondel thuis:
en gelyk hy in prosa zich uit: ‘Zoo ziet men den besten meesteren de kunst af, en leert, behendigh stelende, een' ander het zyne te laten. -- Evenwel indien gy eenige bloemen |
335 De Cock, Proeve van Bijbeldichten. Zie
noot 256.
336 Ovidius' Herscheppinge,
‘Loofwerk’, r. 31-36 (WB VII, p. 377-378).
|
|
op den Nederlantschen Helikon plukken wilt, draeg u zulks, dat het de boeren niet merkten, nochte voor den geleerden al te sterk doorschyne’ (Aenleid. ter Nederd. Dichtkunste, blz. V) 337 . -- Diergelyke gestolene kunst, gevolgen van een gelukkig geheugen, komt overéén met het geene de schilders Pastiches noemen. Zie Du Bos, Oordeelk. Aanmerk., Deel II, bl. 405 338 . |
337 Aenleidinge ter Nederduitsche
dichtkunste (WB V, p. 488, r. 124-125 en 133-136).
338 Du Bos, Oordeelkundige Aanmerkingen,
II, p. 405: ‘de eene verwyt men dat ze niet anders dan kopyen zyn, en de
andere (als voetnoot: “des pastiches”) een gestole
kunst’.
|