§. 54. Tot een' vaerzenmaaker word een goed geheugen vereischt

Tot een' vaerzenmaaker word een goed geheugen vereischt. Niet slechts de dichter, als logenaar (§. 19.), maar ook vooral de poëet, als vaerzenmaaker, heeft een gelukkig geheugen zeer noodig. Dit zielsvermogen is het voornaamste dat op de poëzy invloed heeft; wyl de imitatie, of naarvolging, in het vaerzenmaaken eene hoofdrol speelt, en naardien het geheugen de tresoor der kennisse is. Ook is het niet vreemd, dat tot het vaerzenmaaken een goed geheugen verëischt worde, als men beseft, dat de zanggodinnen dochters van Mnemosyne, of van het geheugen, zyn:

 Wie eert, wie mint u niet, ô dochters van 't geheugen!
 ô Kroost van Jupiter en schoone Mnemosyne!
 (Proeve van Dichtoefening, door A.L.F. en A.P.S., bl. 174 en 175)  327  

Men vind alom poëetische blyken, die deezen regel staaven. By voorbeeld, Reinier Anslo  328   zong:

 Toen Judas zocht zyn' heer door vriendschap te beschaden,
 Te leevren door een' kus, geen teken van verraaden:

Wie bemerkt nu niet, dat Joan de Haas een goed geheugen gehad hebbe, terwyl hy in 't begin van zynen Judas  329  , dien aartsschelm schildert ? als die

     Gods zoon, zyn' meester en zyn' heer
 verried met eenen kus, geen teken van verraaden.

 327  Proeve van dichtoeffening, ‘Vaerwel aen de zanggodinnen’, p. 167-177.
 328  Reyer Anslo (1623-1669), Poezy, Rotterdam, bij Barent Bos, 1713: ‘Martelkroon van Steven den eersten martelaar’, p. 7-38, r. 21-22: ‘Toen Judas zocht zyn' Heer door vriendtschap te beschaden, / Te leevren door een' kus, geen teken van verraden’. UBL 1173 G 16.
 329  Joan de Haes (1685-1723), Judas de verrader, Rotterdam, bij Johannes Hofhout, 1714, p. 1, r. 4-5 en p. 10, r. 15-17. KB 1350 B 114.


[p. 116]

De zelfde De Haas, door zyn uitsteekend geheugen gesterkt, zingt wyders:

 De schaduw van den nacht was nu aan 't overleenen,
 De morgenster dreef nu de benden voor zich heenen
 Van 's hemels blinkend heir --

en men moet bekennen, dat die poëet Vondels vaerzen sterker licht en schaduw gegeeven hebbe; want de plaats die ik bedoel luid alzo:

 De schaduw is aan 't overlenen.
 De morgenstar dryft voor zich heenen
 De benden van het hemelsch heir.
 (Palamedes, bladz. 48)  330  

Even zo vertoonde H.K. Poot een gelukkig geheugen, als hy deeze vaerzen maakte:

 De trouwe Thezëus en Pirithous bezoeken
     Den duisteren jammerpoel:
 Hun vrientschap wandelt hier door duizent naare vloeken,
     By 't lichaemloos gewoel:
 (Poëzy, Deel I, bl. 337)  331  

want hy had niet vergeefs by Vondel geleezen:

 Haer' dootschen geest in 't ryk der schimmen op te zoeken,
 Door 's afgronts ingang in den duistren jammerpoel
 Te stygen naer beneên, daer 't lichaemloos gewoel
 Des volx en geestendoms -- -- --
 (Ovidius Herschepp., bl. 299)  332  

Vooral had Poot zyne herdersklacht Zoethart (Poëzy Deel I, bladz. 249)  333   aan zyn treflyk geheugen, by het leezen van Antonides herderszang Dafnis (Mengeld., bl. 181 enz.)  334   zeer zigtbaar te danken.

 330  Palamedes, r. 1329-1331 in de editie 1707 (zie noot 170). WB II, p. 703, wijkt beduidend af: ‘De schaduwe is aen 't overleenen. / De nacht het opgeeft. voor sigh heenen / De morgenstar drijft's hemels heyr’.
 331  Poot, Poëzy I, niet p. 337 maar p. 357): ‘Valsche vrientschap aen Gratianus’.
 332  Ovidius' Herscheppinge X, r. 18-21 (WB VII, p. 744).
 333  Poot, ‘Zoethart, Herdersklagt over de doot van xxx’.
 334  Antonides, Mengeldichten, p. 181-184, ‘Dafnis, Op den dood van Joan F. Gimmenig’.


[p. 117]

De dichter G.T. de Cock, na het schryven van het vaers:

 Dat hy Eufrates voor Choaspis duiken zag:

belyd derhalve openhartig (Proeve van Mengelzangen, bl. 152. enz.)  335  : ‘Ik moet den leezer zeggen, eer deeze of geene vitter 't hem beduide, dat, toen my dit vaers uit de pen rolde, deeze twee dichtregels van denYstroom-dichter my in de gedachten speelden:

 Zoo rukte Antoni voort, toen d'Actiaensche slag
 Den Nyl bestorven voor den Tiber duiken zag.’

Met één woord, het leezen onzer poëeten zal een' aankomenden vaerzenmaaker verschiet van oude voorbeelden en van nieuwe stoffen verschaffen, met welken hy zyn voordeel heeft te doen, en die hy aan zyn eigen geheugen moet aanvertrouwen. Hier behoort het zeggen van Vondel thuis:

 Een leerling, wakker en leerzuchtigh, eigent schrander
 Aldus de handelinge en trekken van een ander,
 En mengt de verf, en legt en bezightze op haer maet
 Natuurlyk naer den eisch van 't beelt, dat voor hem staet,
 Zoo net, tot dat het oogh des kenners geen' van beiden,
 Den meester en schoolier van een kan onderscheiden;
 (Loofwerk, voor Ovidius' Herschepp.)  336  

en gelyk hy in prosa zich uit: ‘Zoo ziet men den besten meesteren de kunst af, en leert, behendigh stelende, een' ander het zyne te laten. -- Evenwel indien gy eenige bloemen

 335  De Cock, Proeve van Bijbeldichten. Zie noot 256.
 336  Ovidius' Herscheppinge, ‘Loofwerk’, r. 31-36 (WB VII, p. 377-378).


[p. 118]

op den Nederlantschen Helikon plukken wilt, draeg u zulks, dat het de boeren niet merkten, nochte voor den geleerden al te sterk doorschyne’ (Aenleid. ter Nederd. Dichtkunste, blz. V)  337  . -- Diergelyke gestolene kunst, gevolgen van een gelukkig geheugen, komt overéén met het geene de schilders Pastiches noemen. Zie Du Bos, Oordeelk. Aanmerk., Deel II, bl. 405  338  .

 337  Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (WB V, p. 488, r. 124-125 en 133-136).
 338  Du Bos, Oordeelkundige Aanmerkingen, II, p. 405: ‘de eene verwyt men dat ze niet anders dan kopyen zyn, en de andere (als voetnoot: “des pastiches”) een gestole kunst’.