§. 55. Tot het vaerzenmaaken moet men bezield zyn
Tot het vaerzenmaaken moet men bezield zyn, en dit
kunstbedryf vereischt vuur, Enthousiasmus en eene edele raazerny
(§. 74.):
- Gelyk zy toonen, die van hemels vuur bezeten,
- Den naam hier winnen van geheyligde poëeten.
- (J. van Hoogstraten, Meng.
Poëzy, Deel II, bladz. 181)
339
‘Gelooft gy dat Pacuvius in koelen bloede schreef? dat kan
niet zyn: men moet door een soort van edele razerny aangespoord worden, om
goede vaerzen te maaken’ (Du Bos, Oordeelk. aanmerk., D. II, bl.
15)
340 . --
Echte vaerzenmaakers moeten bezield en bezeten zyn, gelyk de sybillen, die ook
vaerzenmaaksters waren:
- Doch dees sybil, bezeten
- En zwanger van Apol, kon haere wichlery
- Niet uiten, ging door 't hol, gelyck een razerny,
- Vervaerlyk heene en weêr in arbeit; eer 't wil schieten
- Verpyntze zich haer' krop, die vol is, uittegieten.
- Apollo temt terwyl haer wreet en fel gemoedt
- En dollen mont te meer, en toomt den overvloet
- Der tong met zyn gebit. Nu bersten hondert deuren
|
339 Jan van Hoogstraten,
Mengel-Poëzy, ‘De poezy of digtkunde, na de afbeelding van
Caesar Ripa’.
340 Du Bos, Oordeelkundige Aanmerkingen,
II, p. 15, een vertaling uit Cicero, De Oratore, liber 3.
|
[p. 119]
-
- Van 't huis al teffens op, als of de rotsen scheuren,
- En Godts waerzeghster geeft hem antwoort overluit.
- (Vondel, Eneas, bl. 299)
341
Daarnevens getuigen ook de poëeten zelven, dat, als hun arbeid
wél vlot, de vaerzen, als het ware, hen ingestort worden:
- Phébus, dès que je parle, est prêt à
m'exaucer:
- Mes mots viennent sans peine, et courent se placer.
- (Boileau, Sat. VII, V. 35-36)
342
- Myn zangeres, nae 't schynt, gevoelt een grooter vier;
- De vaerzen rollen als van zelfs op myn papier.
- (Antonides, Bruiloftsdicht, bl.
56)
343
- De vingers hollen al; ik kan ze niet bedwingen.
- (J. Heiblocq, Farr. Lat. Belg.,
bl. 85)
344
- Om dan te zeggen, zo als 't is, zo gelieven de vrienden te
weeten,
- Dat ik maar dertien seconden, net by den damklok af, over dit
geheele vaers heb gezeten;
- Want Apollo, die anders nooit (gelyk aan dit staeltje blykt) my
zeer gunstig is geweest,
- Heeft de woorden rasser in myn pen gevormd, dan hy de gedachten
kon vormen in myn geest.
- (H. de Haen, Mengeld., bl. 389)
345
Eindelyk word de waarheid, dat men tot het vaerzenmaaken bezield zyn
moete, ook door veel voorhandene kunstgewrochten gestaafd. Ziet hier enkel een
paar voorbeelden. Met welk een vuur uit zich Volckert!
- Hekelaars, met ezelspooten,
- Die vorst Phebus eedle loten,
- Vol gebenedyde zwier,
- Durreft voor den gevel stooten;
- Weg van hier, voort, pakt je koten,
- Eer ik met myn gouden lier, enz.
- (Nomsz, Iemant en niemant, bed.
III, toon. 1)
346
|
341 Eneas VI, r. 118-127 (WB VI, p.
683).
342 Boileau, Satire VII, r.
35-36.
343 Antonides, Bruiloftsdichten,
‘Bruiloft Eustatius van Brokhorst en Debora Bake’.
344 Heiblocq, Farrago Latino-Belgica, p.
85.
345 Abraham de Haen (de voorletter H is een
drukfout), Herderszangen en Mengeldichten, ‘Ter verjaaring van den
Heere Dirk Willink’, r. 5-8.
346 Nomsz, Iemant en niemant, p.
39.
|
[p. 120]
Welk een Enthousiasmus heerscht in de
poëetische zinnevlucht!
- Myn dichtvuur voer me nu omhoog,
- Uit aller stervelingen oog;
- En trek me door de toverkoorden,
- Van uitgekipte donderwoorden,
- Die groots van klank zyn, zonder zin,
- Ten hemel der poëeten in. Enz, enz.
- (Holl. Spectator, Deel II, bl. 459 enz.)
347
En wat edele raazerny bezielt den dolhuispoëet!
- Hys op, hys neêr, in 't knekelhuis,
- Daar Lysbet vlooit den deken,
- Met hom'len, stom'len, en gedruis,
- Gelyk 't ons is gebleken.
- De een valt op den ander aan,
- Zy volgen op malkander;
- De winden met hem spelen gaan:
- Ar'stotles, Alexander.
- (Holl. Spectator, Deel I, bl. 275)
348
|
347 De Hollandsche Spectator, II, p.
459-460.
348 De Hollandsche Spectator, I, p.
275.
|