§. 56. De muziek is den vaerzenmaaker onöntbeerlykDe muziek is den vaerzenmaaker onöntbeerlyk. Want zy is
een zeer voornaam deel der poëzy; en het wezen der vaerzen, het gebruik
van maat, trant en rym, is op de muziek gegrond: en daar het prosa geheel
onmuziekaal is, stellen de vaerzen alle woorden in een zangerig verband,
waardoor het oor ongemeen word gestreeld. En zulks natuurlyk, wyl vaerzen
gezongen worden (§ 5).
Feitama, in de voorrede voor zynen
Telemachus, terwyl hy het vaerzenmaaken billyk
verdédigt, roept derhalve te recht uit: ‘Vaarwel dan, ô lieftalige doch versmade Poëzije! Vaar eeuwig wel met uwe verstandigste Muzyk, die ziel der zangkunst, waardoor gy geest en ooren teffens streelt, en om welke uwe voedsterlingen altoos gezegt worden, hunne werken op te zingen,’ (Bladz. V) 349 . Vondel zinspeelt op het muzikaale zyner eigen' vaerzen, als hy in de opdracht zyner Maagdebrieven, tot de H. maagd zegt:
en Antonides zong van hem, op de wyze van Ps. 140:
Zo zegt ook Pels, met betrekking tot het vaerzenmaaken:
Pels zelf was een geschikt muzikant, om van andere poëeten niet te gewaagen; en Huydecoper, die het vaerzenmaaken zo groot een nieuw licht heeft bygezet, zou het ongetwyfeld daarin nog veel hooger hebben kunnen brengen, ware hy niet een vreemdeling in de muziek geweest, |
349 Feitama, Telemachus, Voorrede, p.
V.
350 ‘Opdraght aen de Heilige
Maeght’, r. 23 (WB IV, p. 431). Zie ook noot 250.
351 Antonides, Mengeldichten, ‘Aen
den Heere Geeraert Brandt’.
352 Pels, Dichtkunst, r.
1015-1016.
|
|
gelyk hy in zyne meermaals aangehaalde Proeve (bladz. 187) 353 zelf belyd. Het is derhalve waarschynlyk, dat hy zyn muzikaale maat- en trantproeven, welke op bladz. 180-185 voorkomen, van eene andere hand heeft laaten vervaardigen; gelyk Angelkot 354 en Webber 355 huurlingen gebruikten, de eerste om Cato uit het Engelsch, en de laatste om Kleopatra uit het Fransch, ter hunner beryming te vertaalen (§. 93.). |
353 Huydecoper, Proeve van taal- en
dichtkunde, p. 187: ‘de Muzyk, waarin wy bekennen vreemdelingen te
zyn’.
354 Hermanus Angelkot, jr. (gest. 1726), bewerkte
samen met Pieter Langendyk een deel van Addisons Cato, of de ondergang der
Roomsche vryheid, Amsterdam, bij Lascailje en Dirk Rank, 1715. Uit de
‘Voorreden’, p. 2: ‘heb ik mynen neef H. de Wolf, een keurig
kenner van verscheide taalen, verzogt het zelve van woord tot woord voor my in
Nederduitsch over te brengen’. KB 1350 C 62.
355 Elias Webber, Markus Antonius en
Kleopatra, naar Cléopâtre van Jean de la Chapelle
(1683), Amsterdam, bij Jacob Lescailje, 1685. UBL 1094 H 28.
|