§. 57. Het vaerzenmaaken verëischt poëetische oorenHet vaerzenmaaken verëischt poëetische ooren; en deeze poëetische ooren zyn met het muzikaale talent (§. 56.) naauw verbonden. Huydecoper, in zyne dikmaals aangehaalde Proeve, zegt derhalve zeer wél, daar hy Vondels vaers
beöordeelt: ‘die maar maatiglyk poëetische
ooren heeft, zal my toestaan, dat de eerste greep in ge polysterd
hier een' grooten wanklank veroorzaakt’ (bladz. 175). Hy handelt
hieröp van den trant, van rust en snede, maaten en toonen der
heldenvaerzen; welke laatsten hy, gelyk wy reeds aanmerkten (§. 5.) met
zeer veel naauwkeurigheid op nooten stelt en in muziek brengt. Dit doet hy,
volgens zyn eigen uitspraak ‘voor diköorige rymers’ (bladz.
179), dat is te zeggen, voor liefhebbers die geene poëetische ooren
hebben. Zo ook beveelt hy het hierömtrent noodige ‘aan het eigen
onderzoek des dichters, die niet alleen de voeten zyner vaerzen op zyne vingers moet konnen tellen, maar ook de klanken en toonen met zyne’ (poëetische) ‘ooren op het naauwkeurigste afmeeten’ (bladz. 186). -- Eindelyk is hy met de ooren van Pels, die mede zoveel ten opbouw van het vaerzenmaaken heeft geschreven, geheel niet te vrede. Aldus uit hy zich: ‘Is 't niet vreemd, dat een meester als de Heer Pels, die’ (poëetische ) ‘ooren aan 't hoofd hadt, en zelfs de muzyk wel verstondt, hier echter, om te oordeelen of het verzuim der ruste in het leezen stuite of niet stuite, raad leeft <geeft>, niet met zyn verstand, maar met zyne uiterlyke zinnen; en, onder deezen weder, niet met het oor, maar met het oog, 't welk inderdaad niet de minste kennis van vaarzen heeft?’ (bladz. 610) 356 . De Hollandsche Spectator zegt mede: ‘De bekwaamheid van vaerzen te maaken is een eigenschap der verbeeldingskragt, ondersteunt door een fyn en poëtisch gehoor’ (Deel I, bl. 27) 357 . En L. Ten Kate, in het vignetje geplaatst voor zyne Aenleiding tot de kennis van 't verheven deel der Nederduitsche sprake 358 , heeft billyk twee ooren doen vertoonen, met het byschrift: niet sonder dese. -- Terwyl nu poëzy en taalkunde alzins hand aan hand gaan (§. 96.): zo komt het by het vaerzenmaaken zeer op poëetische ooren aan: |
356 Huydecoper, Proeve van taal- en
dichtkunde. De vier citaten zijn juist, maar Hoffham zet er zelf op p. 186
en 610 ‘(poëetische)’ tussen.
357 De Hollandsche Spectator, I, p. 27 (moet
zijn p. 274): ‘De bekwaamheid om dezelven te vormen is wederom een
eigenschap van de zelfde verbeeldingskragt, [...] Poëtisch
[...]’.
358 Ten Kate, Aenleiding tot de kennisse van het
verhevene deel der Nederduitsche sprake, het vignet boven aan p. 1.
|
Hier word zelfs van lekkere ooren gewaagd; en het tegendeel daarvan zyn verëelde en ruigbewassen ooren, à la Marsyas:
Jammer is het, dat Swifts Algemeene historie van de ooren, welke hy in zyn Vertelsel van de Ton beloofde eerlang uit te geeven (Deel I, bl. 235) 361 , niet het licht ziet; want buiten twyfel zou uit dat werk, ook ten aanzien der poëetische ooren, zeer veel te leeren zyn. |
359 Antonides, Bruiloftsdichten,
‘De Haven voor Jakob van Mollem en Maria Zydervelt’.
360 Abraham de Haen, Herderszangen en
Mengeldichten, ‘Aan de Heeren leden van het Kunstgenootschap Natura
et arte’.
361 ‘Maar ik meen dit Oorenmartelaarschap
breder te verhandelen in myne Algemeene Histori van de Ooren, die ik
eerlang ter parse denke te beveelen’ (p. 234-235).
|