§. 59. Oefening en kunstliefde moeten den vaerzenmaaker vormenOefening en kunstliefde moeten den vaerzenmaaker vormen, voorondersteld dat hy daartoe geboren zy (§. 53.): want wie zulks niet is, dien zal het nooit gelukken het fyne der kunst te betrappen. Wanneer een jongeling genie vertoont (§. 52.) en van een goed geheugen voorzien is (§. 54.); dan moet kunstliefde geen vlyt spaaren, en oefening de kunst beschaaven. Oefent zich zulk een veelbeloovend jongeling in het doorbladeren onzer puikdichters (§. 63.); leert hy hunne kernvaerzen van buiten; bezoekt hy vlytig den schouwburg, privaattooneelen en poëetische gezelschappen; en slaat hy hiernevens de hand aan het vaerzenmaaken: zo zal hy zich ongemerkt in de kunst vormen:
Het verkeeren in boekwinkels, bezit men slechts oppervlakkige kunstmin, is zeer vermogend om de poëetische genie aan te kweeken en te voltooijen. |
370 Petrus Burmannus Secundus (1713-1778,
Santhorst), Intreéreden [...] over de poëtische verrukking,
[...] in Nederduitsche vaerzen nagevolgd door Dirk Smits, Rotterdam, bij
Philippus Losel, 1743, p. 44 en 45. (‘Puikgedachten’ is een
leesfout. In het origineel staat: ‘Wekt dikwerf 't lezen van eens anders
puikgedichten’). KB 3096 A3.
|
|
Van hier komt het dat boekverkoopers, derzelver winkelknechts en jongens, door hun Metier en door dagelykschen omgang met levende of doode, met gedrukte of manuscript dichters en rymers, in de natuurlykste gelegenheid zyn van poëeten of vaerzenmaakers zelven te worden: want het geene waarmede wy omgaan kleeft ons aan. De beroemde Aretyn, die gevreesde poëet en geessel der vorsten, was in zyn jeugd een boekbinders jongen; en hoe hoog klom hy niet, lang deeze nederige trap! ‘Door het zien en behandelen der boeken van geleerde lieden, kreeg hy smaak in 't leezen. Levendig van geest en gelukkig van geheugen zynde (§. 54.), maakte hy goeden voortgang daarin; en kort daarna gaf hy zyn handwerk de zak, begaf zich naar Rome, en geraakte in dienst van Paus Leo den X, en van zyn' neef Juliaan de Medicis, die beide hem met weldaaden ophoopten’ (Levensbeschryving van versch. vermaarde Italiaansche mannen, bl. 104) 371 . -- Het ontbreekt derhalve geenszins aan voorbeelden van boekhandelaars die poëeten waren; en, om onder nabuurige natiën geene te gedenken, zo behoef ik, onder onze landgenooten, alleenlyk eenen Kroon , den vader van ons Neêrduitsch Rymregister, een' Halma, Tirion, Willis, Van de Gaete, Meijer, Entrop, Van der Plaats 372 te noemen: lieden, die allen geheel eigenaartig door hunne kostwinning zich tot poëeten vormden. Ook is het niet vreemd dat akteurs, die |
371 Levensbeschryving van verscheidene
vermaarde Italiaansche mannen en vrouwen: in ‘Het leven van Petrus
Aretinus’.
372 Willem Kroon: ‘Opdracht’ der
Verzameling van de bruykbaarste Nederduytsche Rymklanken; (zie noot
195).
François Halma (1653-1722) te Utrecht, Amsterdam, Leeuwarden; Isaak Tirion, uitgever te Amsterdam; Arnold Willis, te Rotterdam (uitgever van Poot); Hendrik van de Gaete (1682-1719), te Amsterdam (uitgever van Langendyk); Pieter Meyer (1718-1781), te Amsterdam; Pieter Jan Entrop, uitgever tussen 1758 en 1774, te Amsterdam; Volkert van der Plaats (1728-1796), te Harlingen; allen boekverkopers en uitgevers die ook de letterkunde bedreven. |
|
geduurig en volgens hunne professie dichters en vaerzen in den mond voeren, zelven al speelende poëeten en vaerzenmaakers worden. Aan voorbeelden hiervan mangelt het wederom niet; ik zal onder de Franschen slechts Moliere en Baron, onder de Engelschen alleenlyk Shakespear en Garrik, onder de Duitschers slechts Brandes en Stephani, bybrengen. En waren, onder ons, Adr. Bastiaansz de Leeuw, J. Sammers, W. van der Hoeven, A. Spatsier, J. Starrenburg 373 , niet even vermaarde vaerzenmaakers als tooneelspeelers? Niets is eindelyk ook natuurlyker, dan dat liefhebber-akteurs, welken by ons zo veel worden gevonden, zelven vaerzenmaakers worden. Men denke alleenlyk aan den poëet en akteur Gottlieb, die zo hartlyk zong:
|
373 Molière (1622-1673) Frans toneelspeler
en -schrijver;
Michel Baron (1653-1729), Frans toneelspeler en -schrijver; William Shakespeare (1564-1616), Engels toneelspeler en -schrijver; David Garrick (1717-1779), de beroemdste Engelse acteur van de 18e eeuw. Johann Christian Brandes, auteur van Der Graf von Olsbach. Gottlieb Stephan jr., schrijver van Der Deserteur aus Kindesliebe, zie noot 251. Adriaan Bastiaansz de Leeuw, kluchtschrijver en toneelspeler van naam, gestorven voor 1689. Van hem is bekend Circe van 1660. Jacobus Sammers (Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, p. 157) had na 1667 belangrijke rollen in Amsterdam. Willem van der Hoeven, schrijver van Het Koffyhuis (1712, zie noot 98), acteur in Amsterdam (Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, p. 160) sinds 1680. Anthony Spatzier (1718-1777), (Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, p. 203) tot 1773 in Amsterdam, leider van de Haagse toneelspelers (naam ook als Spatsier gespeld). Johannes Starrenburg (gestorven 1772), (Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, p. 204). 374 O. C. F. Hoffham, Al stond 'er de galg
op of de verydelde toneelcomparitie, Erven Klippink, 1783: p. 100. KB
2212 A 4.
|