§. 61. Het vaerzenmaaken is de roemwaardigste aller kunstenHet vaerzenmaaken is de roemwaardigste aller kunsten. Om zich hiervan te overtuigen, hoore men hoe Ovidius zyne Herschepping sluit, of wel, hoe Vondel hem nazingt:
en nog elders zongen zy beiden:
Hieruit ziet men, niet slechts dat geen schatten vermogend zyn het vaerzenmaaken op te weegen, maar ook, dat zelfs de vorst voor den vaerzenmaaker zwichten moet. Ook is het, in waarheid, minder kunst als monarch een geheel volk te gebieden, dan als poëet trant en rym in vaerzen de wet te stellen. Indien men deeze taal uit de mond eens dichters hoorde, zou men ze kunnen mistrouwen en voor verwaandheid houden; maar uit de mond eens keizers, heeft ze voorwaar het kenmerk der oprechtheid. Aldus bezong keizer Karel IX 381 de kunst van het vaerzenmaaken, in vaerzen aan den beroemden poëet Ronsard:
|
379 Ovidius' Herscheppinge XV, r.
1181-1193 (WB VIII, p. 168-169).
380 ‘Ovidius aen de Nydigen’, r.
31-34 (WB VII, p. 385).
381 Bedoeld wordt Karel IX, koning (niet keizer)
van Frankrijk (1550-1574) ten tijde van de grootste roem van Pierre de Ronsard
(1524-1585). In OEuvres complètes de P. de Ronsard, ed. Paul
Laumonier, Paris, Alphonse Lemerre, 1914-1919, deel 7, p. 353, wordt het
gedicht, waarvan Hoffham hier enkele passages overneemt, als niet authentiek
beschouwd, maar toegeschreven aan Jean Royer met hulp van Rotrou (eerste helft
van de 17de eeuw).
|
|
En Vondel derhalve, daar hy eene vergelyking tusschen Konstantyn den grooten en Konstantyn Huigens aanstelt, verheft te recht de vaerzenmaaker boven den keizer, en de lier boven het kroonengoud. Dus spreekt hy:
|
382 ‘Op de ledige uren van Konstantyn
Huigens’, r. 1-8 volledig geciteerd (WB II, p. 527).
|