§. 62. De vaerzenmaaker schryft op Hercules pylaarenDe vaerzenmaaker schryft op Hercules pylaaren. Het is bekend dat Fenelon in zyn' FranschenTelemachus slechts een prosaïsch stuk geleverd heeft; maar Feitama herschiep zulks door zyne vaerzen in Neêrduitsche poëzy, (§. 48.) en schreef die vaerzen op Hercules pylaaren, geljk de titelprint voor dat dichtstuk, en haare verklaaring te recht aanduiden:
Dus zal, daar Fenelons Telemachus eerlang zal vergeeten zyn, Feitamaas dichtstuk in wezen |
383 Regel 12-14 van een sonnet dat J.
Wandelaar, de graveur van de titelprent van Feitama's Telemachus,
daarbij schreef: ‘Verklaring van de titelprent’.
|
|
blyven, zo lang van Hercules pylaaren word gesproken. Waar men die beruchte pylaaren te zoeken hebbe, leert ons Feitama:
en:
‘Tacitus maakt ook gewag van pylaaren, by Hercules gericht op den Frieschen boodem, hoewel met onwis bescheid. -- Sy dwaalen, die de pylaaren van Herkules in Frieslands middelpunt, binnen 't vlek Duivels-kutte, stellen. Neen: de woorden van Tacitus geven genoegsaem te kennen, datze elders op een Friesch eiland door d'Oceaan bespoelt zyn’ (Commelin, Beschryving van Amsterdam, bl. 13 enz.) 386 . Vondel spreekt 'er van in het enkelvouwdige:
Wat 'er voorts van Hercules pylaaren zy, het schryven op dezelven zegt, voor de geheugenis, zoniet voor de eeuwigheid, iets bestaan of schryven. Zo zegt De Decker: |
384 Feitama, Telemachus, p. 169.
385 Feitama, Telemachus, p. 185.
386 Commelin, Beschrijving van Amsterdam,
p. 13-14, met de variant: ‘de by gebragte woorden’.
387 ‘Op 's Lants nieuw Raethuys’,
r. 29-30 (WB IX, p. 398).
|
Tot het schryven op Hercules pylaaren word onsterflyke inkt verëischt, waarvan de dichters gewaagen; by voorbeeld:
voorts:
en:
Daar nu het schryven met onsterflyken inkt den poëeten toekomt, en het schryven op Hercules pylaaren zeer eigenaartig het vaerzenmaaken uitdrukt: zo is eindelyk niets natuurlyker, dan dat zo veelen onzer kooplieden, welken het lust te dichten (§. 13.), op Hercules pylaaren bestaan te schryven. De koopman, zeker, heeft daartoe het naaste recht, want immers
|
388 De Decker, Puntdichten, Boek I, nr.
108.
389 ‘Inwying der doorluchtige
schoole’, r. 17 (WB III, p. 373, alwaar ‘Myn' swaeneschacht, myn
treckebeckske drinckt / sich droncken, in onsterfelycken inckt’).
390 Antonides, Ystroom, de voorlaatste
regel van het Tweede Boek, waarvan de slotregel (van wel zeer hoffhameske
inspiratie) luidt: ‘Op dat ik u alom ... help Triton! ik
verdrink!’.
391 Antonides, Mengeldichten: ‘Op
Ymont, den lusthof van Joan Six’.
392 Telemachus, p. 53 (alwaar de
variant: ‘Ja breid,’).
|