§. 63. Een puikdichter is een keurig vaerzenmaakerEen puikdichter is een keurig vaerzenmaaker; want op de
vaerzen alleen komt het aan (§. 40.). Men is gewoon den dichter te noemen, om daardoor den vaerzenmaaker uit te drukken (§. 6.), en zulks door een rederykkunstige figuur, synecdoche membri genaamd; gelyk men kielen voor schepen, daken voor huizen zegt. De eigenlyke en waare verdienste des dichters is buiten kyf het vaerzenmaaken (§. 22.), en alleen dit verheft hem boven den prosaïst (§. 38.). ‘Le principal merite d'un poëte est d'être versificateur. De là, en grande partie, la préférence qu'on donne à Racine sur Corneille, la grande estime pour Despreaux, pour Rousseau’; &c. (Trublet, Essais, etc., Tom. IV, pag. 195) 393 . En gelyk nu wederom het rymen, ten aanzien van het vaerzenmaaken zelve, waarlyk de kunst der kunsten is (§. 65.): zo is een glad en vloeijend rymer eigenlykst een puiks-puikdichter: want
(Verstaa den dichter by uitneemendheid.) En Pels beroept zich te recht op
Ook heet het van Antonides:
|
393 Trublet, Essais de littérature et
de morale, IV, p. 224. Bij Despreaux gaat het om Nicolas
Boileau-Despréaux (1636-1711), bij Rousseau om de klassicistische
dichter Jean-Baptiste Rousseau (1671-1741)
394 Nomsz, Mengelwerken, p. 190 (Nomsz'
Rabener-bewerking).
395 Pels, Dichtkunst, r. 149-150.
396 Joost van Geel (1631-1698, kunstschilder in
Rotterdam, stichtelijk dichter), bijdrage aan de ‘Lykzangen’ in
Antonides Gedichten.
|
|
Met één woord; juistheid in trant en rym, kieschheid in het vormen van zuivere klanken, en in het leveren van keurig taalsieraad, maaken den puikdichter uit. Derhalve zong A. de Haen, aan het kunstgenootschap Natura et arte:
Gelukkig dan hy, die met Doktor Windmolen kan zeggen:
gelukkig die
|
397 Abraham de Haen, Herderszangen en
Mengeldichten, ‘Aan de Heeren leden van het Kunstgenootschap Natura
et arte’, r. 1-4. Zie noot 360.
398
Willem van der Hoeven, Het
koffyhuis, Toneel 11, p. 16. De volgorde van de eerste twee regels is
omgekeerd. De laatste regel staat in Toneel 19 op p. 37.
399 Vondel, Poëzy I, p. 435. Dit
bladzijnummer is onjuist. De regels zijn ook daarom niet getraceerd.
|