§. 68. Iets berymen is een dichtstuk vervaardigen

Iets berymen is een dichtstuk vervaardigen; want door het rymen word de geheele oefening der poëzy uitgedrukt (§. 67.). Zy allen dan, die iets slechts berymen, vooral vertaalend berymen (§. 46.), leveren dichtstukken. Feitama, die in de voorrede voor zynenTelemachus, dat stuk

[p. 145]

meermaalen ‘ myne beryming’ noemt, zingt daarvan wel degelyk:

 Myn dichthulk bruischt, in spyt der bulderende onweêrwinden,
 En woeste golven, die des prinsen kiel verslinden,
 Door Pindus stille zee, en voert my aan de kust
 Der strandgodin; daar my, in ongestoorde rust,
 De vryheid zy vergunt, om, naar myn zoet verlangen,
 Tot redding van dien held, myn Dichtstuk aantevangen.
 In dit vertrouwen heft myn Zangnimf rustig aan,
 Terwyl uw Pallas zelve altoos de maat zal slaan.
 (Aenleid. des vertalers)  424  

Zo heeft, by voorbeeld, in het heldendicht, Vondel Virgilius, en Feitama Fenelon en Voltaire, naar de kroon gestoken. Zo hebben, wat het tooneel betreft, Angelkot en Webber twee fraaije treurspellen gedicht (§. 93.); en viervyfde deelen der tooneelstukken, die onzen schouwburg sieren, zyn op deeze wyze vervaardigd  425  . Men houd zich aan de les van Pels:

     hy die met lof zyn handen slaat
 In 's anders werk, betoont dat hy de kunst verstaat.
 (Gebr. en Misbr. des tooneels, bl. 67)  426  

Huydecoper, in de voorrede voor zynen vertaalden Edipus, zegt derhalve: ‘Die dat berymen kan, hoeft nergens voor stil te staan, en kan alles berymen wat men denken kan.’  427   -- En op de vraag van Herman:

 Maar genomen, ik vertaalde den Pompeüs, wat eer stond voor jou dan te hoopen?
 (Gelukte List, bed.I, toon. III.)  428  

antwoord Eelhart te recht:

  Wel, van 't berymen; ik zal maaken dat 'et gladde vaerzen zyn.
 424  Feitama, ‘Aanleiding des vertalers tot het volgend dichtwerk van den heere Fenelon’, de laatste acht regels.
 425   Angelkot, Cato, of de ondergang der Roomsche vryheid en Elias Webber, Markus Antonius en Kleopatra (1685). Zie noot 354 en 355.
 426  Pels, Gebruik en misbruik, r. 1687-1688.
 427  Huydecoper, Edipus, uit het Fransch van P. Corneille, Amsterdam, bij Lescailje en Rank, 1720, Voorrede, [p. 3]. KB 448 H 141.
 428  De gelukte list, óf bedrooge mof, Blyspèl, Amsterdam, bij Izaak Duim, 1744 (naar het Frans van Adrien Thomas Perdou de Subligny): ‘Maar genomen ik verstondze, en wou'er eens over heen loopen, / En dat zo naasten by overzétten, wat eer stond voor jou dan te hoopen?’, p. 17. UBL 1087 G 32 L.