§. 69. Alle gerymde regels zyn vaerzenAlle gerymde regels zyn vaerzen. P. Maryn, in zyn groot Woordenboek bepaalt elk vaers te recht als ‘zeker getal aan een geschakelde en op rymtrant gebragte woorden’ (Bladz. 974) 429 . En naardien het rym de ziel van een vaers is (§. 25.), zyn alle gerymde regels zo onwederspreeklyk vaerzen, als bezielde schepsels levendige wezens zyn. Hoewel nu de hoeveelheid der voeten een vaers karakteriseert (§. 27.), en de zangwyze der vaerzen zich naar de aart van een dichtstuk richt (§. 32.), zyn echter alle zeer lange regels, die eindelyk rymen, of korte regels, die straks rymen, ook buiten kyf vaerzen. De eersten noemt men vaerzen op uso en de laatsten snikken. Vaerzen op uso 430 zyn by voorbeeld:
Of:
Of wel: |
429 Pieter Marin, Groot Nederduitsch en
Fransch Woordenboek, in de tweede druk van 1730 op p. 914.
430 op uso: op de gewone termijn (van twee
maanden).
431 De adelyke landman: F.G. von
Nesselrode, Der adelige Taglöhner (1774), vertaald door
Anthony Hartsen (1719-1782),
Amsterdam, bij Izaak Duim, 1779, de eerste twee regels van het stuk. Zie noot
281. UBA 687 F 68.
432 De gewaande onnozele juffer, of de
belagchelyke poëet, (naar Philippe Néricault Destouches
(1680-1754), La Fausse Agnes), Amsterdam, bij Helders en Mars, 1783, p.
25. UBA 691 F 45.
|
Elk ziet dat dit vaerzen zyn, zo waar bekroopen en loopen, reciteeren en keeren, gehad en dat, naar den eisch onderling rymen; maar elk ziet tevens, dat die vaerzen meer ligchaam dan ziel vertoonen, en dat daarin weinig honig schuilt (§. 85.). Alle vaerzen op uso zyn als recitatieven aan te merken, die op geene psalmwyze kunnen gezongen worden, maar waarvan de zangtrant willekeurig is. Snikken, die men ook vaerzen op zicht zou kunnen heeten, zyn, by voorbeeld:
Of:
|
433 De Deserteur uit kinderliefde (de
deserteur uit ouderliefde door de Duitser Stephan de Jonge, staat in de
Spectatoriaale Schouwburg, deel 11, van 1782, maar Hoffham heeft een
andere vertaling voor ogen): zie §. 69. De tekst luidt in de SS,
II, 5: ‘mijn musket behoort den koning, en daarom bemoei ik er mij mede
zonder uwe herinnering; maar zo de koning op dit oogenblik hier ware, hij zou
het mij gantsch niet kwalijk neemen dat ik mij ook bemoei met mijn vader, aan
wien ik het te danken heb dat ik des konings musket met eer draagen kan ...
Maar de koning en gij ... denken niet gelijk’.
434 Hoffham geeft geen plaats. Huygens, ed.
Worp, Deel II, p. 124.
|
Uit het eene en andere volgt nu zeer blykbaar, dat:
gelyk Nil volentibus arduum zegt, of al wie, gelyk doktor Le Francq van Berkhey, Jan Nomsz op iets doms kan rymen, en vullen zyne rymregels naar den trant uit, zekerlyk vaerzen maakt. Dat alle gerymde regels vaerzen zyn, is ten eenemaale wiskunstig, en zo zeker als dat tweemaal twee vier is. Vier kwaade nooten zyn wel iets anders als vier goede; maar echter nooten zyn nooten: het onderscheid vind men eerst by het kraaken. De bepaaling nu der waardy van alle gerymde regels behoort voor de rechtbank der kritieke nootenkraakers (§. 60.). |
435 Cats, Spieghel van den ouden en nieuwen
tydt, Amsterdam, Wed. Gysbert de Groot, 1699, p. 33: ‘List mist /
Twist quist / Lyt nyt / Nyt byt / Myt nyt / Maet staet/ Laet quaet / Doet
goet’ (naast elkaar geschreven). KB 31 C 33.
436 De gelukte list, of bedrooge mof, p.
6. Zie noot 428.
|