[p. 146]

§. 69. Alle gerymde regels zyn vaerzen

Alle gerymde regels zyn vaerzen. P. Maryn, in zyn groot Woordenboek bepaalt elk vaers te recht als ‘zeker getal aan een geschakelde en op rymtrant gebragte woorden’ (Bladz. 974)  429  . En naardien het rym de ziel van een vaers is (§. 25.), zyn alle gerymde regels zo onwederspreeklyk vaerzen, als bezielde schepsels levendige wezens zyn. Hoewel nu de hoeveelheid der voeten een vaers karakteriseert (§. 27.), en de zangwyze der vaerzen zich naar de aart van een dichtstuk richt (§. 32.), zyn echter alle zeer lange regels, die eindelyk rymen, of korte regels, die straks rymen, ook buiten kyf vaerzen. De eersten noemt men vaerzen op uso en de laatsten snikken.

Vaerzen op uso  430   zyn by voorbeeld:

 Wat slaapt myn vader gerust! De vaak heeft hem hier in de schaduw bekroopen.
 Ach! konde ik zyn' arbeid daardoor verligten, 'k zou door een vuur voor hem loopen.
 (De adelyke Landman, Bedr. I, tooneel, I)  431  

Of:

 Ik verzeker u dat uw toon ten hoogsten deftig is, gy spreekt als een held uit een treurspel, en ik geloof dat gy
 fraai zoud kunnen reciteeren.
 Met dit alles mishaagt my die toon: laat ons natuurlyk blyven; 't gevaar is dringend, 't is waar, maar wy zullen het trachten af te keeren.
 (De gewaande onnozele juffer, bed. I, toon. V)  432  

Of wel:

 429  Pieter Marin, Groot Nederduitsch en Fransch Woordenboek, in de tweede druk van 1730 op p. 914.
 430  op uso: op de gewone termijn (van twee maanden).
 431  De adelyke landman: F.G. von Nesselrode, Der adelige Taglöhner (1774), vertaald door Anthony Hartsen (1719-1782), Amsterdam, bij Izaak Duim, 1779, de eerste twee regels van het stuk. Zie noot 281. UBA 687 F 68.
 432  De gewaande onnozele juffer, of de belagchelyke poëet, (naar Philippe Néricault Destouches (1680-1754), La Fausse Agnes), Amsterdam, bij Helders en Mars, 1783, p. 25. UBA 691 F 45.


[p. 147]

 Heer Rentmeester, de snaphaan behoord den Koning, en ik zorg daarvoor, zonder u. Maar myn Vader heb ik langer gekent. Ik zou die niet draagen, zo ik geen Vader hadde gehad.
 En, als de koning op 't oogenblik hier ware, hy zou niet kwalyk neemen, dat ik voor myn Vader sprak. En gy, en de Koning, is geen klein onderscheid! Verstaat gy dat?
 (De deserteur uit kinderl., bedr. II, toon. V)  433  

Elk ziet dat dit vaerzen zyn, zo waar bekroopen en loopen, reciteeren en keeren, gehad en dat, naar den eisch onderling rymen; maar elk ziet tevens, dat die vaerzen meer ligchaam dan ziel vertoonen, en dat daarin weinig honig schuilt (§. 85.). Alle vaerzen op uso zyn als recitatieven aan te merken, die op geene psalmwyze kunnen gezongen worden, maar waarvan de zangtrant willekeurig is.

Snikken, die men ook vaerzen op zicht zou kunnen heeten, zyn, by voorbeeld:

 Ziet
 Niet
 Na den
 Kwaaden
 Zang-
 gang,
 Lezer,
 Deezer
 Zucht-
 Klucht. (C. Huigens)  434  

Of:

 List
 Mist.
 Lyd
 Nyd.
 433  De Deserteur uit kinderliefde (de deserteur uit ouderliefde door de Duitser Stephan de Jonge, staat in de Spectatoriaale Schouwburg, deel 11, van 1782, maar Hoffham heeft een andere vertaling voor ogen): zie §. 69. De tekst luidt in de SS, II, 5: ‘mijn musket behoort den koning, en daarom bemoei ik er mij mede zonder uwe herinnering; maar zo de koning op dit oogenblik hier ware, hij zou het mij gantsch niet kwalijk neemen dat ik mij ook bemoei met mijn vader, aan wien ik het te danken heb dat ik des konings musket met eer draagen kan ... Maar de koning en gij ... denken niet gelijk’.
 434  Hoffham geeft geen plaats. Huygens, ed. Worp, Deel II, p. 124.


[p. 148]

 
 Nyd
 Byt.
 Myd
 Nyd.
 Maat
 Staat.
 Laat
 Quaad.
 Doet
 Goed.
 (J. Cats, Spiegel van den ouden en nieuwen tyd, bl. 33)  435  

Uit het eene en andere volgt nu zeer blykbaar, dat:

 de allerminste jongen,
 Die slechts Piet op Griet kan rymen,
 (De gelukte list, Bedr. I, Toon. I)  436  

gelyk Nil volentibus arduum zegt, of al wie, gelyk doktor Le Francq van Berkhey, Jan Nomsz op iets doms kan rymen, en vullen zyne rymregels naar den trant uit, zekerlyk vaerzen maakt. Dat alle gerymde regels vaerzen zyn, is ten eenemaale wiskunstig, en zo zeker als dat tweemaal twee vier is. Vier kwaade nooten zyn wel iets anders als vier goede; maar echter nooten zyn nooten: het onderscheid vind men eerst by het kraaken. De bepaaling nu der waardy van alle gerymde regels behoort voor de rechtbank der kritieke nootenkraakers (§. 60.).

 435  Cats, Spieghel van den ouden en nieuwen tydt, Amsterdam, Wed. Gysbert de Groot, 1699, p. 33: ‘List mist / Twist quist / Lyt nyt / Nyt byt / Myt nyt / Maet staet/ Laet quaet / Doet goet’ (naast elkaar geschreven). KB 31 C 33.
 436  De gelukte list, of bedrooge mof, p. 6. Zie noot 428.