§. 71. Dichten, vaerzenmaaken, en rymen heeft eenerlei betékenis

Dichten, vaerzenmaaken, en rymen heeft eenerlei betékenis; want hoewel zy drieërlei bedryf uitdrukken en elkander ondergeschikt zyn, (§. 10. §. 52. §. 65.), zo sluit echter het eene altyd het andere in zich: en de beide uiterstens, dichten en rymen, konsentreeren zich in het middelpunt, vaerzenmaaken. Men kan derhalve deeze drie werkwoorden, als gelykluidend, onverschillig

[p. 152]

gebruiken, gelyk de poëeten zelven ons leeren, by voorbeeld:

     Veel werken
 Van oude schryvers zyn op deeze wyz' gedicht,
 Waar tegen het gebruik der jongre dichtren licht;
 Want Vondel, Vollenhove, en die in deeze tyden
 Het vloeienst rymen --
 (Pels, Dichtkunst, bl. 6)  440  

en elders:

 die 't niet kan, wil mede aan 't rymen trekken --
 Doch gy, dicht niets --
 (Bl. 40)  441  

Jeremias de Decker, in zyn lofdicht op de werken van vader Cats, zegt:

 Dat Cats alleen door zyn gedicht
 Meer blinde zielen broght tot licht,
 Meer dertele tot schamen,
 Als all' ons dichters t'samen;
 En dat derhalven hem de kroon
 Toekomt, die Phoebus is gewoon
 Den rymeren te geeven
 Die boven andren sweven.
 (Rymoefeningen, Boek III, bl. 41)  442  

In Vondels leven heet het van hem: ‘Nog zeer jong raakte hy aan 't rymen en toonde zynen aangeboren trek tot de dichtkunst.’ (bladz. 11)  443  . En Vondel zelf zegt: -- ‘Onder de knipzangen door verscheide Rymers gedicht.’ (Poëzy, Deel II, bl. 460)  444  en laager:

 Zyn beeldt na Febus zwymt,
 't Zy dat hy dicht of rymt;
 (bl. 578)  445  

 440  Pels, Dichtkunst, r. 146-150. Zie noot 451.
 441  Pels, Dichtkunst, r. 1062 en 1065.
 442  De Decker, Rym-oeffeningen, Amsterdam, bij Abraham van Blancken, 1659: ‘Op de Wercken van den edelen, achtbaren en hoog-geleerden Heere Jacob Cats’. UBL 1199 F 14.
 443  Het leven van Joost van den Vondel door Geeraart Brandt, ed. P. Leendertz, p. 8. Het leven van Vondel, van Geeraart Brandt, bevindt zich ook achterin de uitgave van Vondels poëzie van 1682.
 444  Vondel, Poëzy II, p. 460: ‘Onder de knipzangen, door verscheide Rymers gedicht, schreef Vondel 't geen volght’ (niet in WB).
 445  ‘Op d'afbeelding van D. P. Pers’, r. 3-4 (WB V, p. 243).


[p. 153]

en in de voorrede voor zyne Warande der dieren: ‘Van den onverstandigen kan noch Apollis <Apellis> beeld, noch Homeri rymen niet onghelastert noch onghetadelt blyven  446  ’ -- Hier heeten de vaerzen van den prins der Grieksche dichteren rymen; en men weet dat Homerus niet heeft gerymd. Zo ook getuigt Vondel van de geestryke vaerzenmaakster Anna Roemers:

     Wie dan uw rymen komt t'erkennen,
 Zal roepen: dit 's geen maeght, 't is Maro die hier zingt.
 (Poëzy, Deel I, <bl. 288>)  447  

Nu heeft Virgilius zo weinig als Homerus gerymd.

Dat eindelyk dichten en rymen volstrekt eenerlei betekenis heeft, blykt ook van daar, dat Vondel Virgilius woorden: ‘sunt et mihi carmina’ vertaald door ‘ik kan oock dichten,’ en door ‘ik kan oock rymen.’ Men vergelyke zyne vertaalde 9de herderskout in prosa met die in vaerzen  448  .

 446  Warande der dieren, Voor-reden, Apellis, met de betekenis: ‘Van Apelles’ (WB I, p. 505, r. 68-69). Hoffhams versie ‘Apollis’ is een drukfout.
 447  Poëzy I, (bladzijnummer niet aangegeven, moet zijn p. 288): ‘Op de geboorte van onze Hollantsche Sappho Anna Roemers’, r. 40-42 (WB II, p. 394: variant: ‘Wie dan uw Spreucken, en uw Rijmen komt t'erkouwen / Zal roepen: dit's geen maeght, noch van 't geslacht der Vrouwen / 't Is Maro die hier zingt, 't is Kato die hier spreeckt’).
 448  Virgilius, Ecloga IX, v. 33: sunt et mihi carmina: Ook ik heb verzen geschreven. In de prozavertaling staat inderdaad (WB VI, p. 164) ‘Ick kan oock dichten’ en in de vertaling in verzen (WB VI, p. 165) ‘Ick kan oock rymen’.