§. 72. De rymer munt uit boven den vaerzenmaaker en dichterDe rymer munt uit boven den vaerzenmaaker en dichter, gelyk,
indien advokaat, notaris en translateur (§. 39.) in één'
sterveling vereenigd zyn, de Mr. zyn onderhoorige broeders den loef afsteekt.
Want hoewel dichter, vaerzenmaaker en rymer volstrekt eenerlei betekenis hebben
(§. 71.) en zy niet van elkander kunnen gescheiden, noch de eene zonder den anderen kan gedacht worden: zo heeft nogthans, in betrekking der kunst en der daarmede verbondene eere, eene billyke subordinatie onder hun plaats; en gelyk reeds de vaerzenmaaker boven den dichter staat (§. 39.), zo munt de rymer boven beiden uit. Deeze betrekkingen zyn in de natuur der zaake aldus gegrond. De dichter levert slechts de stoffe tot vaerzen; deeze worden gemaakt en eindelyk berymd. De dichter is natuurlykerwyze de minste van het triumvirat, waartoe hy behoort, daar hy alleenlyk met het prosaïsche deel der poëzy te doen heeft; de vaerzenmaaker is ongelyk meer, naardien hy, waarlyk kunstenaar, een volkomen ligchaam levert; maar de rymer is verre de grootste, wyl hy het ligchaam bezielt. De dichter vind geheel geene zwaarigheden; en, hoe veelen de vaerzenmaaker te overwinnen hebbe, de rymer zegepraalt over allen. In nabuurige landen, in Duitschland by voorbeeld, vind men zogenaamde dichters, die geene vaerzenmaakers, en wederom vaerzenmaakers, die geene rymers zyn. De eersten zyn loutere prosaïsten; de laatsten zyn poëetische Hermaphrodieten, die niet dan gedrochtlyke en waarlyk ziellooze ligchaamen leveren. |