§. 73. Vader Vondel was een groot rymerVader Vondel was een groot rymer; en by gevolg een puiks-puikdichter (§. 63.): want het meeste sluit het mindere in zich. Dat hy waarlyk een groot rymer was, is waereldkundig. De Drossaardt Hooft plagh tot Vondel te zeggen: ‘Dat gy een rymer zyt, hebt gy van uwen grootvader Kranen’ (Vondels leven, bl. 7) 449 . -- En elders heet het van hem: ‘Om dit met meerder bevalligheid te doen hebben wy geen kosten, en de Rymer’ (J. van den Vondel) ‘geen arbeyt aan de rymen gespaart’ (Bericht voor Vondels Tooneel des mensch. levens) 450 . --- Pels beriep zich met nadruk op
Ook spreekt Vondel zelf, in zyne werken, alöm van zich als rymer; by voorbeeld, tot Hooft:
en tot denzelfden:
en tot zynen genoeglyken Tymen:
en in zyn' Lof der zeevaart:
en in zyne Bespiegelingen: |
449 Het leven van Joost van den Vondel door
Geeraart Brandt, ed. P. Leendertz, p. 4.
450 Tooneel des menschelikken Levens door
J. v. Vondelen, Amsterdam, by Willem Lamsvelt, 1698: ‘Bericht’
(niet in WB).
451 Pels, Dichtkunst, r. 149-150. Zie
noot 440.
452 ‘Brief aen den Drost van
Muyden’, r. 129 (WB III, p. 191).
453 ‘Roskam’, r. 106 (WB III, p.
303).
454 ‘Deuntje aen Kornelis Tymensz
Padbrue’, r. 25 (WB III, p. 405).
455 Zie noot 417 (‘Het lof der
zeevaert’, r. 75).
|
en op zeer veel andere plaatsen meer.
de te recht vergode Vondel, van wien het heet:
moet buiten kyf een groot rymer zyn; en wie erkent hem niet voor een' puiks-puikdichter? |
456 Bespiegelingen van Godt en godtsdienst
II, r. 352-353 (WB IX, p. 472).
457 Jan van Hoogstraten,
Mengel-Poëzy, ‘De poezy of digtkunde, na de afbeelding van
Caesar Ripa’.
458 Thémiseul de Saint-Hyacinthe
(1684-1746), Le chef d'oeuvre d'un inconu <‘inconnu’>,
zesde druk, A La Haye, chez Pierre Husson, 1714. In het voorwerk zit een
‘lofbazuin’, door Buijnsters toegeschreven aan Justus van Effen
(Justus van Effen, p. 78 en vooral 96-97). UBL 701 G 24.
|