§. 74. Het rymen is eene heilige razerny

Het rymen is eene heilige razerny; en vind men goed om hier, met Huydecoper, eene onderscheiding tussen razerny en razery te maaken: ‘zo kan men ook Raazerny voor de drift en dolheid zelve neemen, en Raazery voor de tegenwoordige en daadelyke uitwerking van die drift’ (Proeve, enz., bl. 104)  459  . Wat 'er van zy, de zaak zelve getuigen de poëeten alöm, by voorbeeld:

 Wat God bezielt myn borst en adren?
 Ik blaak van heilge razerny.
 Genade, ik zal uw godheid nadren,
 En met myn trant en poëzy
 459  Huydecoper, Proeve van taal- en dichtkunde, p. 104: er tussen in: ‘en dus ook in de Poëzy voor die Helsche Gezusteren’.


[p. 157]

 
 Een schoonheid door de wolken dragen,
 Die u, gelyk de dauw het land
 Verfrischt in heete zomerdagen
 Wanneer de kreeft de mooren brand.
 (Focquenbroch, Werken, Deel I, bl. 518)  460  

En de Geldzucht, by De Decker, van den rymeren spreekende, zegt:

 Dan dat ick menigmael al mê de godheid zy
 Die hen verruckt en treckt tot heylge rasery,
 En hun den moed verheft, kan by hunn' rymkens blycken.
 (Lof der geldzucht, bladz. 48)  461  

Zo heet het, in de beschryving van den zangberg:

 Wat razerny beweegt myn geest tot zingen?
 My dunkt ik zie den heilgen Helikon;
 My dunkt ik zie het zilvren hoefnat springen,
 En straalen uit de milde hengstebron.
 (Nederd. Mengeldichten, bl. 347)  462  

Zo zegt Mr. M. d. R.

 Dan schyn ik voor een wyl van razerny bezeten,
 En vloeke op god Apol, dan op de hengstebron.--
 (Dichtl. Verlustiging. door Meditando fulgens, bl. 122)  463  

Zo heet het by D. Buisero, in zyn lofvaers op Antonides Ystroom  464  , met nadruk:

 -- -- -- door heilig raazen,
 van vloeiend rym -- --

En Antonides zelf zingt:

 'k Voel weêr een grooter vier door al myn aders gaen;
 Ik raeskal dronken, of een godheid voert my aen;
 (Ystroom, blz. 49)  465  

 460  Van Focquenbroch, ‘Ter Geboorte Verjaaring van Mejuffrouw Johanna Wilmerdonkx’.
 461  De Decker, Lof der geldsucht, p. 48.
 462  Nieuwe verzameling der Nederduitsche Mengelgedichten, ‘Helikon, Lierzang’ (zie noot 151).
 463  Dichtlievende verlustigingen (Meditando Fulgens), ‘Aan N.N. die my dikwils aanwas om van myne dichten te zien’, p. 121-124.
 464  Diederik Buisero (1644-1708, beschermheer van Antonides), in Antonides' Gedichten, ‘Lofvers op zynen Ystroom’, r. 10-11.
 465  Antonides, Ystroom, p. 49.


[p. 158]

schoon hy elders ook zong:

 Ik hate Apollos razernyen '
 (Bruiloftsdichten, bl. 115)  466  

Eindelyk roept ook Vondel uit:

 ‘Ik raaskal, of Apol is hier ontrent
     Met negen nonnen!’
 (Poëzy, Deel I, bl. 319)  467  

Ik moet nog aanmerken, dat den rymelaaren (§. 64.), by hun slordig en kreupel rymen, de heiligheid der razerny ontbreekt. Slechts profane woede beheerscht hen; en de openlyke kritiek is derhalve verpligt, om deeze natuurlyke razerny te beteugelen. Ook verzekeren de poëetische recensenten meermaalen den gaanden en komenden man van het publiek:

 Tre zacht, en wandel onbeschroomt;
 Hier wort de Razerny getoomt.
 (Vondel, Poëzy, Deel II, bl. 308)  468  
 466  Antonides, Bruiloftsdichten, ‘Ter Bruilofte van Antonis Timmerman en Anna Timmerman’, r. 6.
 467  ‘Inwying der doorluchtige schoole’, r. 91-92 (WB III, p. 375).
 468  ‘Op het dolhuis’, beide regels (WB V, p. 246 heeft de regels ‘Treê sacht, en gaat gerust verby, / Hier word getoomt de Rasery.’ (1647), terwijl Hoffham de versie uit Poëzy II heeft, die sedert 1650 gebruikt werd).