§. 77. Rymlooze vaerzen zyn geene vaerzenRymlooze vaerzen zyn geene vaerzen; want zy kunnen niet gezongen worden (§. 5.): 't zyn ligchaamen zonder ziel (§. 25.): ze zyn alzins ongerymd, want ‘averechtsche rymklanken, als men een goede sluiting van het vaers verwacht, stooten onze oren geweldig, en het woord ongerymd is daarom gebezigd, om zodaanige voorstellen, welker onwaarheid even tastbaar is, als zy tegen alle aangenomen begrippen aanloopen, en dus aanstootelyk zyn, uittedrukken’ (De Rhapsodist, Deel I, bl. 457) 490 . |
490 De Rhapsodist, ‘Gedachten over
het Ongerymde’.
|
|
En Holberg merkt te recht aan, dat de woorden rym en rymen met verstand van eenerlei betekenis zyn geworden. Dus uit hy zich: ‘Men zegt: daar is rym noch reden in; (sans rime sans raison) 't rymt niet: 't is ongerymde praat: hier word het rym met het verstand gelyk gestelt, want ongerymde praat is 't zelve als zotte klap’ (De Deensche wysgeer, Deel II) 491 . En verlangt men nog bewys, dat rymlooze vaerzen geene vaerzen zyn?
|
491 Holberg, De Deensche wysgeer, II, p.
121 (‘sans rime sans raison’ is een toevoeging van
Hoffham.
492 Nomsz, Mengelwerken, p. 189-190
(Rabener-bewerking).
|
|
Waarlyk, ongerymd zal wel eeuwig ongerymd blyven! Wat heeft men ondertusschen, (om van sommigen onzer nabuuren niets te gewaagen) wat heeft men van die nieuwerwetsche zogenaamde poëeten onder ons te oordeelen, die den rymloozen vaerstrant der Grieken en Romeinen in Neêrland pogen in te voeren? Rymelaars kan men ze niet heeten, wyl zy het rym geheel verwerpen; maar uit even dien hoofde kan men hen ook niet dichters noemen: althans hunne zielloze regels zyn slechts afgekapt en danssend prosa. Men mag wel met J. Lutkeman uitroepen:
Trouwens, voor grillige narheden is men nooit zeker, en
|
493 Jacob Lutkeman, Poëzy,
uitgegeven door Henri Jean Roullaud, Amsterdam, bij P.J. Uylenbroek, 1785:
‘Winters Nachtgepeins’, p. 229, r. 1-2. KB 946 A 97. In deze
bundel staat ook Lutkemans vertaling van Codrus of de grondlegging van het
Atheensche gemeenebest (1785). Zie noot 246.
494 Pels, Dichtkunst, r. 41-42.
|