§. 79. Het rym moet in vaerzen altyd gehoord worden

Het rym moet in vaerzen altyd gehoord worden; want het is eene schoonheid die voor het gehoor bestaat. De Hollandsche Spectator berispt derhalve te recht die vaerzen, van welken het rym niet wel in het gehoor valt. ‘Wie zoude zich verbeelden,’ zegt hy (Deel I, bl. 278)  499  , ‘dichtregels voor zyne oogen te hebben, indien hy de volgende woorden, gelyk zy hier geschreeven staan, hoorde uitspreeken: Want wie ontkent, wat plagen Bellona met zich sleept, en wat al nederlagen, ten prykel van de staat, wiens welvaart elk, met druk en angst, ziet hangen in de weegschaal van 't geluk. Is het niet zeker,’ vervolgt hy, ‘dat dit als ondicht zoude voorkomen, aan iemant, die 't zelve nooit als digtregels zoude gelezen hebben?’ --- De aangehaalde regels zyn echter vaerzen, uit Vondels Palamedes eerste toneel  500  .

Pels, die nopens het rymen zo veele nutte lessen geeft, gaat evenwel het spoor ten eenemaale byster, als hy van het hooren des ryms zegt:

 499  De Hollandsche Spectator, I, p. 278. Er staat niet dat het om Palamedes gaat.
 500  Palamedes, r. 28-30 (WB II, p. 637, anders: ‘en wie’; ‘met droeve nederlagen, gevaerlyck voor 'tgemeen: wiens welvaert men met druck, en angst siet hangen in de weeghschael van't geluck’).


[p. 168]

 
 Maar in het heldendicht en by den samenspreker
 Zou 't kwaalyk voegen: 't is niet noodig dat een zeker
 En sterk geluid van rym daar 's hoorers ooren treff',
 En dat het zich alom byzonderlyk verheff';
 Daar alle de andere gedichten zeer toe neigen:
 Want onberymde taal is nader, en meer eigen
 Aan Heldendichten en Tooneelstof. Hoort men dan
 Te dikwyls 't rymwoord, of ook steeds, op 't einde van
 De zin, het eind uws ryms; zo schynt ge 'er meê te pryken,
 'k Laat staan, dat uwe taal naar onrym zou gelyken.
 (Dichtkunst, bl. 7)  501  

Welk eene dwaaling, in de verhevenste deelen der poëzy het gehoor des ryms uit te sluiten, althans te besnoeijen! Of zal men zich het rym, dat kenmerk en die ziel der vaerzen, dien lauwer van te bovengekomene zwaarigheid, uit dwaaze zedigheid, schaamen? Zal een vorst, ten dage zyner krooning, den luisterryken diadeem die zynen schedel siert trachten te verbergen? --- De poëet, die, by het voorleezen van zyn heldendicht, of de tooneelspeeler, die, by het uiten zyner rol, het rym verbergt, komt my voor als een organist, die een koraal op zyn kunsttuig speelt, maar den treeder verbied, wind in de pypen te laaten.

Hoe? Onberymde taal is nader, en meer eigen aan heldendichten en tooneelstof! --- Welke handtastelyke ongerymdheid! Indien zulks waar was, dan zouden helden- en tooneeldichten immers in prosa moeten geschreeven worden: dan zouden, by voorbeeld, Fenelons Telemachus en Bitaubés Joseph  502   heldendichten, dan zouden Duitschlands

 501  Pels, Dichtkunst, r. 164-174.
 502  Fénelon, Télémaque (1699, uitgegeven in 1717).
Bitaubé, Joseph. Zie noot 183.


[p. 169]

dramaas in prosa waarlyk tooneelstukken zyn: onwaarheden, welken Neêrlands Helikon eenpaarig erkent. En men zinge die prosaïsche stukken eens op psalm 89 (§. 32.)!

Hoort men te dikwyls 't rymwoord, zo schynt ge 'er mee te pryken! -- Alsof de poëet daarmede niet wilde pryken, en te veel kon pryken! -- 'k Laat staan, dat uwe taal naar onrym zou gelyken. -- Dit grenst aan onzin! Hoe kunnen vaerzen, die regelmaatig voor elks gehoor rymen, naar onrym gelyken? Juist omgekeerd! Verbergt de dichter zyn hem zo duur geworden rym, dan eerst gelyken zyne vaerzen naar onrym. Hoe tegenspreekend zyn dan deeze gevoelens van zulk een' meester! Het rym derhalve moet altyd wel degelyk gehoord worden.