§. 81. Het rym bezit toverkrachten

Het rym bezit toverkrachten.

 Eer 't onwaardeerbaar rym! 't heeft door zyn tooverkracht
 Van niets een talloos tal van boeken voortgebragt.
 (J. Nomsz, Mengelwerken, bl. 187)  511  

Daarom heet het:

 Dat prevelen had kracht, noch meer dan toverrymen;
 (Vondel, Peter en Pauwels, bl. 27)  512  

en:

 Of heeft die Circe uw ziel met toverrym bezongen?
 (J.B. Wellekens)  513  

Want Circe, die beruchte kolrydster, oefende haare tovery door het rymen.

 Circe kon Ulysses reisgezellen,
 Door toverrymen, van gedaente en vorm verstellen.
 (Vondel, Virgilius herderszang, bl. 30)  514  
 Zy mort een' toon
 Van toverrym, verdaeght alle onbekende goôn
 Met onbekent gedicht, en klank van toverrymen.
 (Vondel, Ovidius herschepp., bl. 443)  515  

Het rymzelf is een noodwendig ingredient der tovervaerzen; want Circe

 ontvonkt van wraek, vol spyt,
 Gestoort om 't weigeren der minnelyke bede,
 Stampt sap en giftigh kruit, en mengt hier onder mede
 Bezweeringen, en rym, en helsche tovery;
 (Bl. 431)  516  

 511  Nomsz, Mengelwerken, p. 187 (Rabener-bewerking).
 512  Peter en Pauwels, r. 722 (WB IV, p. 256).
 513  Jan Baptista Wellekens (1658-1726), geen bronvermelding. Niet getraceerd.
 514  Virgilius' herderszang, Achtste herderskout, r. 91-92 (WB VI, p. 159).
 515  Ovidius' Herscheppinge XIV, r. 481-483 (WB VIII, p. 91).
 516  Ovidius' Herscheppinge XIV, r. 62-65 (WB VIII, p. 75).


[p. 173]

en indien wy Lucinaas Vroedvrouwdichten bezaten, zouden wy ons een juister begrip kunnen vormen van

 toverrym, ter sluik
 Gemompelt binnen 's monts, 't welk 't baeren, ree begonnen,
 Verhindert.
 (Bl. 276)  517  

Men kan uit dit alles met den heere J. de Brune besluiten: ‘Daar rym anders niet en is, als een nootdwang tot gelykmatigheid, en nootzaaklykheid tot overéénkoming: zoo moet het, buiten twyffel, vast gaan, dat daardoor overéénkoming van genegenheid moet ontstaan, in hen die iemants rymschriften zyn gewoon te lezen’ (Wetsteen der vernuften, Deel I, bl. 331)  518  .

De Philosooph zegt derhalve: ‘Hoe veelen zyn 'er die door het leezen van den Aartsvader Abraham gaande zyn geworden om ook Heldendichten in Quarto uittegeeven! En hoe veele kwaade copyën zal het schoone origineel van David niet weder voortbrengen!’  519  . Een nader bewys, dat het rym toverkrachten bezit.

 517  Ovidius' Herscheppinge IX, r. 418-419 (WB VII, p. 719). Zie noot 159.
 518  Jan de Brune (de Jonge) (1616-1647): Wetsteen der vernuften (1644).KB 2105 A 44.
 519  De Philosooph, II, p. 373, van 30 november 1767. Aartsvader Abraham: Abraham de Aartsvader van Arnold Hoogvliet (1728); David van Lucretia van Merken (1768).