§. 81. Het rym bezit toverkrachtenHet rym bezit toverkrachten.
Daarom heet het:
en:
Want Circe, die beruchte kolrydster, oefende haare tovery door het rymen.
Het rymzelf is een noodwendig ingredient der tovervaerzen; want Circe
|
511 Nomsz, Mengelwerken, p. 187
(Rabener-bewerking).
512 Peter en Pauwels, r. 722 (WB IV, p.
256).
513 Jan Baptista Wellekens (1658-1726), geen
bronvermelding. Niet getraceerd.
514 Virgilius' herderszang, Achtste
herderskout, r. 91-92 (WB VI, p. 159).
515 Ovidius' Herscheppinge XIV, r.
481-483 (WB VIII, p. 91).
516 Ovidius' Herscheppinge XIV, r. 62-65
(WB VIII, p. 75).
|
|
en indien wy Lucinaas Vroedvrouwdichten bezaten, zouden wy ons een juister begrip kunnen vormen van
Men kan uit dit alles met den heere J. de Brune besluiten: ‘Daar rym anders niet en is, als een nootdwang tot gelykmatigheid, en nootzaaklykheid tot overéénkoming: zoo moet het, buiten twyffel, vast gaan, dat daardoor overéénkoming van genegenheid moet ontstaan, in hen die iemants rymschriften zyn gewoon te lezen’ (Wetsteen der vernuften, Deel I, bl. 331) 518 . De Philosooph zegt derhalve: ‘Hoe veelen zyn 'er die door het leezen van den Aartsvader Abraham gaande zyn geworden om ook Heldendichten in Quarto uittegeeven! En hoe veele kwaade copyën zal het schoone origineel van David niet weder voortbrengen!’ 519 . Een nader bewys, dat het rym toverkrachten bezit. |
517 Ovidius' Herscheppinge IX, r.
418-419 (WB VII, p. 719). Zie noot 159.
518 Jan de Brune (de Jonge) (1616-1647):
Wetsteen der vernuften (1644).KB 2105 A 44.
519 De Philosooph, II, p. 373, van 30
november 1767. Aartsvader Abraham: Abraham de Aartsvader van Arnold
Hoogvliet (1728); David van Lucretia van Merken (1768).
|