§. 83. Het rym bezielt den dichterHet rym bezielt den dichter, en geeft hem verschiet van denkbeelden aan de hand:
Men vergelyke hiermede Boileaus tweede satire, vaers 37 tot 42 527 . --- Menage zegt derhalve: ‘Je ne savois ce que j'allois faire quand je faisois des vers. J'assemblois premierement mes rimes: et j'étois quelquefois trois ou quatre mois à les remplir’ (Menagiana, Tom. I, p. 174 etc.) 528 . Indien men de vaerzen onzer poëeten ontleed, kan men zich alöm daarvan overtuigen, dat het rym den dichter bezielt; en ik zal, uit duizend voorbeelden, slechts weinig staaltjes te berde brengen. Vondel zong in zyn Lof der drukkunst, aan den heer Balthazar Moerentorf, aldus:
Wie ziet hier niet, dat het rym den poëet bezielde? Had de boekdrukker niet Balthazar geheeten, Vondel had hem vast niet by een morgenstar vergeleeken, en had zich het woord druk niet als een eigenaartig rym aangeboden, de dichter zou aan geene kruk gedacht hebben; en |
526 Nomsz, Mengelwerken, p. 188-189
(Rabener-bewerking). Zie noot 127.
527 Boileau, Satire II, r.37-42:
528 Ménage, Gilles (1613-1692),
Menagiana, Amsterdam, bij Van Harrevelt, 1772 (De eerste uitgave dateert
van 1693, alwaar anders: ‘savois de même ce que’ en
‘au’ in plaats van ‘ou’). UBA 2452 E
7.
529 ‘De druckkunst: Aen Balthasar
Moerentorf’, r. 1-6 (WB V, p. 150).
|
|
eindelyk, de kontrast, van zwarten druk op witte bladen bracht hem op dien, van het vrolyk zitten met druk beladen. Het eerste van Vondels afbeeldingen, op een marmeren beeld van koning David, luid als volgt:
By de ontleeding van dit vaers vind men straks dat marmer, harp en zegewagen, de rymwoorden zyn, die den dichter bezielden, en dat, by gevolg, beschermer, scherp en gedragen, de gezochte rymklanken uitmaaken. Want marmer heeft de naaste betrekking op het marmeren beeld, harp op den koninglyken harpenaar; en om den laatsten regel is het gantsche vaers gemaakt. Even eens is het gelegen met de afbeelding op het marmer beelt van Doktor Nikolaas Tulp enz.
Hier zyn Hippokraat, marmer en Tulp de rymwoorden, die den poëet bezielden: Hippokraat |
530 ‘Op een marmeren Beeldt van Koningh
David’, r. 1-6 (volledig) (WB V, p. 536).
531 ‘Op het marmerbeelt van Doktor
Nikolaes Tulp’, r. 1-6 (volledig), (WB VIII, p. 694).
|
|
duid den geneesheer aan, marmer het beeld, en Tulp is de naam. In de afbeelding op Mr. Steven Kracht valt de rymöntleeding nog ligter. Dus luid het vaers:
Men ziet straks, dat Steven en kracht de bezielende, in tegendeel leven en wacht de toevallige rymwoorden zyn. -- Ik herinner my hierby eene parodie op de afbeelding van Steven van der Klok:
Vondels lykdicht op Jacob Baek, aan Nikolaes van der Haes, begint aldus:
Wie bemerkt hier niet, hoe het rymwoord Haes den poëet bezielt en gedachten verleent; want 3 ¼ vaers, die hy tusschen haakjes plaatst, heeft hy |
532 ‘Op Meester Steven Kracht’ r.
1-4 (volledig), (WB V, p. 578).
533 Anonimus, Mengelwerken. Niet
getraceerd.
534 ‘Uitvaert van Jakob Baeck’, r.
1-6 (WB III, p. 615).
|
|
door het rym gewoekerd en aan het zelve te danken. Terwyl ik hiervan spreek, dunkt my dat ik den dichter A.L.F., zo als hy in de kunstplaat, vóór zyne klinkdichten geplaatst, is afgebeeld, op zyn dichttabouret aan zynen dichtdisch zie zitten, met de wachtende dichtpen in zyne rustende rechtehand, terwyl zyne linke, als in verrukking opgeheven, den poëetischen toestand van zyn gemoed, door het rym bezield, schynt af te schetsen; en ik verbeeld my, dat het vaers
dit oogenblik hem uit de pen is gerold. Thans bezielen hem de hemelen; en wat zie ik? -- Rym en vaers zyn gevonden, en hy schryft:
|
535 Proeve van dichtoeffening,
‘Lof der verwaendheid’, p. 236-248, p. 242, r. 1.
|