§. 84. Het toevallig rym ga vóór, en het bezielend rym volge

Het toevallig rym ga vóór, en het bezielend rym volge; of, met andere woorden, men maake eerst den tweeden rymregel, en daarna den eersten. Dit is een handgreep, die tot het fyne der kunst behoort en het beste effekt doet, vooral by ongemaklyke bezielende rymwoorden. Boileau, die keurige rymer, bediende zich gemeenlyk van deezen kunstgreep, gelyk zyne uitgevers byzonder aanmerken: ‘Mr. Despreaux faisoit ordinairement le second vers avant le premier. C'est un

[p. 180]

des plus grands secrets de la poësie, pour donner aux vers beaucoup de sens et de force. Il conseilla à Mr. Racine de suivre cette methode; et il disoit à ce propos: je lui ai apris à rimer difficilement’ (Oeuvres de Boileau, Tom. I, pag 37, Eclairciss. historiq.)  536  . -- Vondel verstond dien greep even fiks, en gebruikte hem even gelukkig. Wie ziet niet, by voorbeeld, dat, in vaerzen aan den Drost van Muiden, het woord drostlyk een bezielend rym zy? Hierop rymt nu niets toevalligs, dan alleen kostlyk. Derhalve zegt Vondel eerst:

 Zoo is gebryzelt glas by diamanten kostelyck;

opdat hy zyn klinkdicht kan sluiten:

 Ick offer danckbaerlyck, al rieckt het luttel Drostelyck;
 (Poëzy, Deel I, bl. 397 <297>)  537  

hiermede stemt volkomen overëen:

 't Kussen van dien mont is kostelyk,
 't Lippendrukken is hier Drostelyk.
 (Bladz. 640)  538  

Zo ook in zyne vaerzen:

 Doch zal het halsrecht niet uitwercken door den Satan,
 Maer vraegen met Godts mont om raet. Men roepe Natan;
 (Adonias)  539  

en in die vaerzen:

 Men zoek geen stoffen van Eneas,
 Zoo lang ons Karel en Andreas
 Aen rymstof helpen met hun staf:
 (Poëzy, Deel I, bl. 494)  540  

zyn Nathan en Andreas de bezielende, in tegendeel

 536  Oeuvres de Boileau. In de editie van 1772 staat deze voetnoot in Deel I op p. 49 bij Satire II, v. 46. UBL 699 C 26.
 537  ‘Klinckdicht aen den Drost van Muyden en syn bruyt’, r. 11 en 14 (WB III, p. 155). (‘397’ is een drukfout voor ‘297’ in Poëzy I).
 538  ‘Bruyloftbed Hooft-Hellemans: ‘Eynde. Aen de Bruid’, r. 37-38 (WB III, p. 174).
 539  Adonias (1661), r. 575-576 (WB IX, p. 320, alwaar: ‘eerst Godts mont’ in plaats van ‘met’).
 540  ‘Bisschoppelyke Staetsy der E. Heeren Karolus en Andreas’, r. 39-41 (WB V, p. 533).


[p. 181]

Sathan en Eneas de toevallige rymwoorden. Want Vondel werd zeker niet bezield, noch door den Sathan noch door Eneas, die hier te ontbeeren waren; maar Nathan en Andreas bezielden hem waarlyk, de eerste als een hoofdpersoonaadje in zyn treurspel, de laatste als held van zyn lierdicht. Nu Sathan en Eneas, als geroepen, voorgaan, en Nathan en Andreas zo geschikt volgen, is men met allen wel te vrede; doch ware de zaak omgekeerd, zo zou de vorst der duisternis en die van Troje met de hairen 'er bygehaald schynen.

De zelfde kunstgreep vind plaats, in:

 Toen staeckt ge naer het hart van Hollants fieren leeuw al,
 En Aernhem kreegh een bres van uw gewrongen sneeubal;
 (Poëzy, Deel I, bl. 12)  541  

in:

 Hoe veele helden, Godt ten prys, in 't velt gedaghvaert,
 Zult gy noch ridders slaen met uw gezegent slaghzwaert!
 (Joannes de boetgezant, bl. 122)  542  

en in zeer veele andere vaerzen meer.

 541  ‘Verovering van Grol’, r. 293-294 (WB III, p. 137).
 542  Joannes de boetgezant VI, r. 681-682 (WB IX, p. 792).