§. 85. Men kan niet te veel ziel in een vaers brengen

Men kan niet te veel ziel in een vaers brengen. Het is bekend, dat vaerzen gemeenlyk alleen aan het einde rymklanken hebben, waardoor zy weêrgalmen; en men wettigt dit gebruik, door te zeggen, dat men den honig slechts met de uiterste vingerspitsen, niet met de geheele hand proeft.

[p. 182]

 Gebruik den korf, misbruik den honigh niet.
 Wie matigh slikt heeft onlust noch verdriet.
 (Vondel, Poëzy, Deel II, bl. 462)  543  

Maar dit gevoelen is niet ten eenemaale juist; en daar het rym éénmaal de ziel van een vaers is (§. 25.) kan men niet te veel ziel daarin storten. Ook heeft men, in waarheid, zielvolle vaerzen van allerlei aart; by voorbeeld:

(a.) door Middenrymen, en dit heeten Leonynsche vaerzen:

 't Is wel van hem verzint, dat hy 't zigh onderwindt.
 Hoe nu: het woordt verzint men dubbelduydigh vindt.
 Is 't van myn Heer verzint, met zinnen wel gesleepen:
 Of heeft hy zigh verzint, en wel te deegh vergreepen?
 (Hooft, Gerart van Velzen, Bedr. III)  544  
 En deeze eerbiedigheit vereist gotsdienstigheit
 Aen Godts eerwaerdigheit en oppermajesteit.
 (Vondel, Bespiegel., bl. 137)  545  
 Dies wenscht ze Godt niet half te dienen maer geheel.
 Zy diene hem geheel, en staecke dit krakkeel.
 Het is een godtskrakkeel -- --
 (Vondel, Salomon, bl. 35)  546  
 En specerywarande, een oogst van goude zanden
 En eedlen diamant, geplengt met ruime handen.
 (Antonides, Ystroom, bl. 80)  547  

(b.) door Tusschenrymen:

 De paerden storten snel en horten tegens een.
 (Vondel, Herschepp., bl. 45)  548  
 Men ziet ze stryken met kadyken, muuren, weien.
 (Antonides, Ystroom, bl. 35)  549  
 Het domme stomme goud maakt kromme dingen recht.
 (De Decker, Lof der Geldzucht, bl. 121)  550  
 De bolle en volle zee, met dolle en holle golven,
 Rolt, solt en holt, en heeft de kiel geheel bedolven:
 (Anonimus, Mengelwerk, bl. 276)  551  
 543  ‘Honighkorf’, r. 9-10 (WB IV, p. 70, alwaar: ‘Gebruickt den korf, misbruick den honich niet. / Wie matich lickt heeft onlust noch verdriet’).
 544  Hooft, Gerart van Velzen, ed. Hellinga-Tuinman, Deel II, p. 37, r. 13-16 v.o.
 545  Bespiegelingen van Godt en godtsdienst IV, r. 421-422 (WB IX, p. 573).
 546  Salomon, r. 996-998 (WB V, p. 414).
 547  Antonides, Ystroom, p. 80.
 548  Ovidius' Herscheppinge II, r. 423 (WB VII, p. 455).
 549  Antonides, Ystroom, p. 35.
 550  De Decker, 'Lof der geldsucht', in: Alle de Rym-Oeffeningen, Amsterdam, Van Aeltwyk, 1726, p. 121. UBL 1175 C 4-5.
 551  Anonimus, Mengelwerk, p. 276. Niet getraceerd.


[p. 183]

(c.) door Staartrymen:

 De heiligh sprack: men moet zoo licht niet schricken
 Voor vogelen, die 't zaet des hemels picken
 En slicken -- --
 (Vondel, Altaargeheimeniss. bl. 33)  552  
  -- uit meer dan hondert kopre monden:
 De zeedraek antwoorde, en de dolle waterhonden
 Uit zoo veel monden meê naebasten --
 (Antonides, Ystroom, bl. 134)  553  
 -- -- my hekelen en schelden
 Voor een onheelbaer quaet; daer ick nochtans die helden
 Niet zelden treck ten stoel -- --
 (De Decker, Lof der Geldzucht, bl. 126)  554  

(d.) door Quasirymen:

 Dit ysren hooft van 't hooft, dat over zoveel hoofden
 Gezagh heeft -- --
 (Vondel, Poëzy, Deel I, bl. 112)  555  
 En komt met u, en blyft met u, en zal met u
 Vertrekken -- --
 (Vondel, Herschepp., bl. 84)  556  
 Ik besiger dan elck op 't lichten van de seghen,
 Wel seghen in der daet, die seghen brengt op seghen.
 (Const. Huigens, Hofwyk, 607)  557  
 Heleen kon in Heleen Heleen niet vinden.
 (H.K. Poot, Minnedichten, bl. 130)  558  

(e.) door Vollertjes, van allerlei slag, gelyk:

 Nu packt, nu zackt, en slaeft, en draeft, en weeft en spint
 En schryft en wryft: de nacht is tot geen rust geboren;
 Krioelt en woelt, en vlieght; de schryfpen tusschen d'ooren.
 (Vondel, Poëzy, Deel I, bl. 270)  559  
 Want daer 't hooft blinckt en klinckt, daer dwingt en wringt de geest.
 (J. Cats, Zinnebeelden, bl. 24)  560  
 De bosgalm zucht en steent op zedelyker zugten;
 De ruispyp zwelt en speelt op redelyker lugten.
 (H. Dullaert, Poëzy, bl. 138)  561  

 552  Altaer-geheimenissen I, r. 889-891 (WB IV, p. 683).
 553  Antonides, Ystroom, p. 134.
 554  De Decker, 'Lof der geldsucht', in: Alle de Rym-Oeffeningen, p. 126.
 555  'Op de Beeltenis van Vorst Fredrick Henrick: Op zynen helm', r. 1-2 (WB II, p. 522).
 556  Ovidius' Herscheppinge III, r. 576-577 (WB VII, p. 499).
 557  Huygens, ed. Worp, Deel IV, p. 334, r. 2661-2662.
 558  Poot, ‘Aen Kloris’, r. 18.
 559  ‘Zeemagazyn’, r. 300-302 (WB VIII, p. 663).
 560  Cats, Sinne- en minnebeelden, ed. H. Luijten, Den Haag, Constantijn Huygens Instituut, 1996, Deel I, p. 80, r. 3. (Embleem nr 8, ‘Niet al goudt datter blinckt’. KB 536 K 47.
 561  Heiman Dullaert (1636-1684), Gedichten, Amsterdam, bij Gerard onder de Linden, 1719, p. 138 (herdruk in P.C.A. van Putte, Heijmen Dullaert, een biografische studie, Groningen, Wolters/Noordhoff, 1978).


[p. 184]

In sommigen deezer vaerzen likt men den honig met duim en vingeren; in sommigen slurpt men hem uit de holle hand. Zielvolste vaerzen zyn:

 En die als noch voedt schadelyke listen
 En die als noch broedt smadelyke twisten.
 (D. Jonktys, Twistgesprek)  562  

Men zou ze honigraaten, of wel zielen geheel ontboeid van het ligchaam, kunnen noemen, en nopens hen mogen uitroepen:

 Hoe zyt ghe zoo vol ziels, vol lachens, en vol levens!
 (Vondel, Poëzy, Dl I, bl. 133)  563  
 562  Daniel Jonktys (1600?-1654), Hedensdaegse Venus en Minerva; of Twist-gesprek tusschen diezelfde, Dordrecht, bij Van Esch, 1641, r. 9-10. KB 448 L 39.
 563  ‘Geboortklock van Willem van Nassau’, r. 570 (WB II, p. 789).