§. 85. Men kan niet te veel ziel in een vaers brengenMen kan niet te veel ziel in een vaers brengen. Het is
bekend, dat vaerzen gemeenlyk alleen aan het einde rymklanken hebben, waardoor
zy weêrgalmen; en men wettigt dit gebruik, door te zeggen, dat men den
honig slechts met de uiterste vingerspitsen, niet met de geheele hand
proeft.
Maar dit gevoelen is niet ten eenemaale juist; en daar het rym éénmaal de ziel van een vaers is (§. 25.) kan men niet te veel ziel daarin storten. Ook heeft men, in waarheid, zielvolle vaerzen van allerlei aart; by voorbeeld: (a.) door Middenrymen, en dit heeten Leonynsche vaerzen:
(b.) door Tusschenrymen:
|
543 ‘Honighkorf’, r. 9-10 (WB IV,
p. 70, alwaar: ‘Gebruickt den korf, misbruick den honich niet. / Wie
matich lickt heeft onlust noch verdriet’).
544 Hooft, Gerart van Velzen, ed.
Hellinga-Tuinman, Deel II, p. 37, r. 13-16 v.o.
545 Bespiegelingen van Godt en godtsdienst
IV, r. 421-422 (WB IX, p. 573).
546 Salomon, r. 996-998 (WB V, p.
414).
547 Antonides, Ystroom, p. 80.
548 Ovidius' Herscheppinge II, r. 423
(WB VII, p. 455).
549 Antonides, Ystroom, p. 35.
550 De Decker, 'Lof der geldsucht', in: Alle
de Rym-Oeffeningen, Amsterdam, Van Aeltwyk, 1726, p. 121. UBL 1175 C
4-5.
551 Anonimus, Mengelwerk, p. 276. Niet
getraceerd.
|
|
(c.) door Staartrymen:
(d.) door Quasirymen:
(e.) door Vollertjes, van allerlei slag, gelyk:
|
552 Altaer-geheimenissen I, r. 889-891
(WB IV, p. 683).
553 Antonides, Ystroom, p. 134.
554 De Decker, 'Lof der geldsucht', in: Alle
de Rym-Oeffeningen, p. 126.
555 'Op de Beeltenis van Vorst Fredrick
Henrick: Op zynen helm', r. 1-2 (WB II, p. 522).
556 Ovidius' Herscheppinge III, r.
576-577 (WB VII, p. 499).
557 Huygens, ed. Worp, Deel IV, p. 334, r.
2661-2662.
558 Poot, ‘Aen Kloris’, r.
18.
559 ‘Zeemagazyn’, r. 300-302 (WB
VIII, p. 663).
560 Cats, Sinne- en minnebeelden, ed. H.
Luijten, Den Haag, Constantijn Huygens Instituut, 1996, Deel I, p. 80, r. 3.
(Embleem nr 8, ‘Niet al goudt datter blinckt’. KB 536 K
47.
561 Heiman Dullaert (1636-1684),
Gedichten, Amsterdam, bij Gerard onder de Linden, 1719, p. 138 (herdruk
in P.C.A. van Putte, Heijmen Dullaert, een biografische studie,
Groningen, Wolters/Noordhoff, 1978).
|
|
In sommigen deezer vaerzen likt men den honig met duim en vingeren; in sommigen slurpt men hem uit de holle hand. Zielvolste vaerzen zyn:
Men zou ze honigraaten, of wel zielen geheel ontboeid van het ligchaam, kunnen noemen, en nopens hen mogen uitroepen:
|
562 Daniel Jonktys (1600?-1654),
Hedensdaegse Venus en Minerva; of Twist-gesprek tusschen diezelfde,
Dordrecht, bij Van Esch, 1641, r. 9-10. KB 448 L 39.
563 ‘Geboortklock van Willem van
Nassau’, r. 570 (WB II, p. 789).
|