§. 86. Tusschen sommige rymwoorden heerscht waare sympathieTusschen sommige rymwoorden heerscht waare sympathie; en zy schynen voor elkander gemaakt te zyn; als by voorbeeld: Spanje en Brittanje, prins en geenszins, veinzen en gepeinzen, helm en schelm, huigchelen en guigchelen, wesp en gesp, heilig en veilig, kunst en gunst, kennis en schennis, winst en minst, kreupel en gepeupel, vergif en rif, schilderen en verwilderen, rups en hupsch, burger en wurger, purper en slurper, oordeel en voordeel, kogel en vogel, hoogte en droogte, koortsen en toortsen, geboorte en poorte, adem en vadem, lengte en engte, lustig en rustig, hobbelen en dobbelen, flikkeren en blikkeren, schoonheid en gewoonheid, herwaarts en derwaarts, waereld en bepaereld, droessem en bloessem, duivel en zuivel, en veele anderen meer. Men leeze den Kosmopoliet (Deel I, bl. 382-384) 564 , die daaromtrent in het breede uitweid. |
564 De Kosmopoliet, I, p. 382-384; in nr
47 van 18 nov. 1776.
|
|
Wien is de sympathie tusschen liefde en griefde onbekend? Zy is zo groot, dat Nomsz op zyne beide vaerzen:
te recht aantekent: ‘Liefde en griefde! Heerlyk! Zo de liefde niet griefde, hoe zouden wy toch rymen?’ (Aanteek. op alle zyne tooneelstukk., bl. 20) 566 . De sympathie tussen vryheid en blyheid is even blykbaar; want
Tusschen lagchen en pragchen is de sympathie even onweêrstaanlyk, en wie weet niet, dat
De heer van Zuilichem moet echter deeze sympathie niet bemerkt hebben, want hy schreef:
Op de sympathie tussen zout en goud vind men by De Decker het volgende puntdicht:
|
565 Nomsz, Ferdinand Cortez, overwinnaar van
Mexico, bij Izaak Duim, 1757 (2de druk 1769), naar het Frans van Alexis
Piron, p. 21, r. 15-16.UBA 688 C 54.
566 Nomsz, Aantekeningen, van J. Nomsz, op
alle zyne tooneelstukken, Erven David Klippink, 1784. Deze uitgave bevond
zich in Hoffhams bibliotheek in Prenzlau. UBA 222 F 13.
567 Nomsz, Mengelwerken, p. 188
(Rabener-bewerking).
568 Pels, Dichtkunst, r. 257-258.
569 Huygens, ed. Worp, Deel III, p. 182:
variant: ‘Het lacchen heeft geen weerga, Griet, / Daer rymt op, lacchen,
niet’.
570 De Decker, Puntdichten, Boek II, nr.
239: kwatrijn ‘Sout en Goud’.
|
|
Eindelyk, om door een' vloed van voorbeelden niet te verveelen:
en echter geschied zulks telkens door de sympathie van het rym. Riekt, voor het overige, de poëet den zwavel, zo valt hy oogenbliklyk op den navel; doch steekt hem de walg, zo geraakt hy wiskunstig aan de galg:
|
571 Heiblocq, Farrago Latino-Belgica, p.
15.
572 De Hollandsche Spectator: ‘'t
Zal gewoel zyn van 't gewemel’.
|