terug  begin  verder

[p. 12]

Overal loert het gevaar

Vooral voor Luitwieler moest je uitkijken. Hij was al elf of twaalf en kon elk moment ergens opduiken. Hij kon je de doodsschrik bezorgen. Hij sprong bijvoorbeeld gillend en met armen en benen malend uit het raam van een leegstaand huis om dan vlak voor je neer te komen. Of hij stapte opeens uit een portiekje te voorschijn of hij stak zijn grijnzend hoofd om de hoek van de straat en versperde je de weg. Meestal had hij een stok of een ijzeren staaf die hij van de schroothoop had gehaald, en tussen zijn riem stak een katapult waarmee hij vogels van het dak schoot. Ze zeiden dat hij de neergeschoten vogels aan een ijzerdraad stak, ze een tijdje boven een vuurtje ronddraaide en ze dan opat. Maar of hij dat echt deed, heb ik nooit gezien.

Ze vertelden ook dat hij jioe-jitsoe kende en dat hij valbreken had geleerd van een Amerikaanse marineman die hij aan het eind van de oorlog was tegengekomen. Dat maakte veel indruk op mij, al wist ik eerst niet wat jioe-jitsoe was. Toen ik hoorde dat jioe-jitsoe een vecht-techniek was waarbij je van de brute kracht van de tegenstander gebruikmaakte om hem te vellen en hem zulke stoten en slagen toe te brengen dat gewrichten gedraaid werden en dat de ribben van de tegenstander gebroken, ja versplinterd werden, verdween mijn zelfvertrouwen geheel en al.

Mijn brute kracht was geen knip voor de neus waard. Ik stelde eigenlijk helemaal niets voor. En daar kwam nog bij dat ik een brilletje droeg. Het bestond uit twee ronde, in een dun hoornen randje gevatte glaasjes en dan nog wat buigzaam metaal en het zette anderen steeds weer aan tot allerhande grapjasserij. Het brilletje had in de eerste weken van zijn bestaan al zijn oorspron-

[p. 13]

kelijke vorm verloren. Even later kwam er een veiligheidsspeldje aan en regelmatig waren er pleisters nodig om de boel bij elkaar te houden. Het verloor dan wel zijn vorm, maar niet de belangstelling van een bepaald soort jongens, zoals Luitwieler.

Ik keek altijd of er niet een plekje in de buurt was waar ik me verstoppen kon. Een voordeel van klein zijn is dat je weg kunt kruipen in holen en gaten waar groteren niet in kunnen. Dat wist ik toen en daarom liep ik meestal vlug naar een terrein dat de Paardenmarkt heette. Daar gooiden ze schroot: stukken scheepswrak uit de Westerschelde, tonnen, lekke boeien - vanonder wit van zeepokken -, buizen, kabels, metalen cilinders, kromme spoorstaven, plaatijzer. Er was niets gaafs bij. Al dat ijzer was krom, gedeukt, verwrongen. Er waren enorme staalplaten die door verschrikkelijke wezens in de vorm van een S of een V waren gebogen of die met monsterachtige tanden bewerkt schenen te zijn: rafelige happen waren eruitgenomen of er zaten fabelachtige scheuren in. Je zou haast zeggen dat een geweldig groot iets in razernij al die dingen kapot had zitten trekken, schoppen, bijten.


illustratie

[p. 14 en 15]


illustratie

[p. 16]

Ik zat toen dikwijls daar tussen dat afval en keek naar al dat ijzer dat flink roestte en een mooie dieporanje kleur kreeg als 's avonds de zon erop scheen. Of ik kroop op een beschut plaatsje als de wind regen vanuit zee naar mij toeblies. Ik zag dan hoe druppels in het roestige water tussen het schroot vielen. Ik herinner me ook een keer dat het zo hard woei, dat dikke schuimvlokken uit de zee over de Paardenmarkt vlogen en hier en daar als trillende levende wezentjes op het roest bleven liggen. Als ik daarna thuis kwam kreeg ik er meestal van langs, omdat mijn broek en jas, handen en knieën en de neuzen van mijn schoenen vol roest zaten. Maar een dag later ging ik toch weer terug, omdat ik dacht dat ik daar veilig zat, maar hoe vergiste ik me!

terug  begin  verder