Ik zat op mijn hurken tegen de keldermuur, met mijn hoofd in mijn handen, toen ik geluid van voetstappen hoorde. Er klonk geknerp van glasscherfjes en gruis onder schoenzolen. Mijn verblijf daar in die kelder die een eeuwigheid leek, had best nog even langer mogen duren, vond ik toen. Het stuk bed werd neergelaten en schuin tegen de muur gezet en mijn hart begon weer flink te bonzen.
Natuurlijk was het Luitwieler die naar beneden kwam. Ik hoorde zijn gesnuif en gemompel. Misschien had hij thuis geleerd altijd geluiden te maken. Om zijn gewonde hand had hij een lap gedraaid en hij droeg een blikje dat hij vlak voor me neerzette. Er zat kaarsvet in en stukken jute dat hij aanstak. Het gaf een geel vuurtje dat nogal walmde.
‘Je bent er nog,’ zei hij.
‘Ik moest toch hier blijven,’ zei ik.
‘Je wilde toch wel weg?’ vroeg hij.
‘Nah,’ zei ik. Ik wilde ja en nee tegelijk zeggen en daarin was ik eerlijk, want ik wilde wel naar huis, maar ik
wilde eigenlijk ook niet naar huis, omdat het al laat was en ik er wel weer van langs zou krijgen.
‘Ik heb op jou gewacht,’ zei ik.
Luitwieler snoof, het was een soort snuivend lachen.
‘Nou ja, je leert het al,’ zei hij. ‘Heb je helemaal niet geprobeerd eruit te komen?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik moest toch wachten?’
‘Heb je niet gegild?’ vroeg hij.
Hij kwam dichterbij en schoof het blikje nog dichter naar me toe. Ik vroeg me af wat hij van plan was. Ik voelde de warmte van de vlam.
‘Heb je niet om je moeder geroepen?’ vroeg hij.
‘Waarom zou ik?’ antwoordde ik. ‘Je zei toch dat je terug zou komen.’
‘En wat als ik niet was teruggekomen?’
Daar wist ik geen antwoord op en ik zei dus niets.
Uit een borstzak haalde hij een pijpekop te voorschijn en hield die omgekeerd boven de vlam, om de tabak die erin gepropt zat aan het smeulen te krijgen en even later kwam er na wat gezuig rook uit zijn mond.
‘Wil je ook roken?’ vroeg hij en trok weer aan de pijpekop. Die gloeide nu goed en zijn neus werd even verlicht. Dan moest hij even goed hoesten en hij spoog daarna iets op de grond. Het was daar te donker om te zien wat.
Eenmaal uitgehoest wees hij met het pijpekopje naar de muren en zei: ‘Goeie plek, hè?’
‘Gaat wel,’ zei ik.
‘Hoezo, gaat wel?’ vroeg hij. ‘Wat is er fout aan?’
‘Het stinkt hier en er ligt rommel,’ zei ik.
‘Waarom denk je dat ik jou hier heb?’ zei hij en ik kon mijn tong wel afbijten. Dat zou niet geholpen hebben, want ik had toch al iets doms gezegd en dus besloot ik het maar niet te doen. Ik keek naar de berg puin en
planken in de hoek. Ik had helemaal geen zin om dat te gaan opruimen.
‘Wat ga je hier dan doen?’ vroeg ik. ‘Ga je hier wonen?’
‘Dat vertel ik jou natuurlijk niet,’ zei Luitwieler.
‘Dit is geen goed hol,’ zei ik. ‘Er is niet eens een geheime uitgang. En ik vertel toch aan iedereen dat jij hier zit.’
‘Jij vertelt helemaal niets, aan niemand,’ zei Luitwieler. ‘Jij blijft hier tot we alles opgeruimd hebben en tot we een geheime tunnel gegraven hebben.’
Had ik daarnet nu toch maar mijn tong afgebeten!
‘En dan?’ zei ik.
‘Dan zien we wel weer verder,’ antwoordde hij. ‘Misschien ben je dan helemaal uitgeteerd en verhongerd.’
Ik kreeg het steeds benauwder. Misschien was hij inderdaad van plan me daar een paar dagen gevangen te houden.
‘Ze gaan mij toch zoeken,’ zei ik en ik had zin om een potje te gaan grienen.
‘Wie “ze”?’ vroeg hij.
‘Nou, mijn vader en mijn moeder en mijn broer enzo...’
‘Jouw broer is niks waard,’ zei hij. ‘En: ze vinden jou toch niet. Niemand weet dat jij hier zit.’
‘Ik ga gewoon heel hard gillen,’ zei ik.
‘Er is niemand die je hoort,’ zei hij.
Hij begon weer een tijdje aan zijn pijpekop te zuigen en te blazen.
Ik dacht aan thuis. Ze zaten vast al aan tafel en aten havermoutpap of gebakken aardappelen en ze keken naar de klok en trokken hun wenkbrauwen op.
‘Je kan ook lid worden van mijn bende,’ zei Luitwieler.
Ik spitste mijn oren.
‘Het slimste is als jij mij loslaat,’ zei ik.
‘Hoezo?’ vroeg hij. ‘Waarom zou ik dat doen? Ik heb je net.’
‘Dan gaat niemand mij zoeken,’ zei ik. ‘En dan kom ik morgen gewoon terug naar hier en ik zeg tegen niemand iets.’
Hij keek een tijdje in zijn pijpekop. Daar was niet veel te zien. Waarschijnlijk dacht hij na. Dan stak hij de pijpekop in zijn borstzak terug. Hij was blijkbaar niet bang voor een brandje. Ergens vanonder zijn kleren vandaan haalde hij een bajonet te voorschijn en zette de punt ervan op mijn jas. Ik wist dat zo'n steekwapen scherp was. Je kon er iemand mee doodsteken. Met het grootste gemak ging zo'n mes door mijn jas en mijn trui en mijn borstrok en mijn hemd en voordat je het wist zat het door je vel heen. En daaronder zat ook veel zachts. Ik wist niet precies hoe het daar allemaal zat met je hart en je lever en je longen, maar als je een gat in je hart kreeg was je dood en dat was bijna het ergste wat er met je kon gebeuren.
Hij was nog maar net bij mijn jas.
‘Doe uit!’ zei hij.
Daar had ik niet op gerekend.
En ik had er geen zin in.
Het was een jas die mijn moeder uit een andere jas gemaakt had. Ze had er met veel zorg een voering ingezet, waarvoor ze een oude zomerjurk gebruikt had. De stof was glad, dat wel, maar hij was bedrukt met rode en gele en witte en donkerblauwe bloemen. Goed voor een vrouwenjurk, maar als voering van een jongensjas een lachertje. Ik schaamde me diep voor dat oerwoud van bloemen aan de binnenkant van mijn jas en daarom knoopte ik hem altijd stijf dicht en trok ik de ceintuur zo strak mogelijk aan.

‘Hup!’ zei hij.
Hij pulkte met de punt van de bajonet aan een knoopsgat. Daarom deed ik mijn jas maar uit, voorzichtig, want, hoewel ik bang was en zweette, zorgde ik er toch voor dat hij niet veel van die voering te zien kreeg.
‘Wie weet wat hij dan gaat doen,’ dacht ik.
Onder mijn jas droeg ik een bordeaux-rode trui. Mijn moeder had hem gebreid en had er ter hoogte van mijn linkertepel een letter W opgehaakt.
‘Wat is dat?’ vroeg Luitwieler en wees met de bajonet naar de wormvormige letter.
‘Dat is mijn naam,’ zei ik.
‘Uit doen!’ zei hij.
Ik trok mijn trui uit.
‘Bretels naar beneden!’ beval hij.
Dat deed ik, dat was niet moeilijk.
‘Trek uit,’ zei hij, toen hij mijn lichtpaarse borstrok zag. Voor mijn hemd, dat daar weer onder zat had hij meer aandacht. Dat kwam omdat er een medaille opgespeld zat. Het was een klein metalen ovalen schijfje met aan de ene kant een afbeelding van Jezus en aan de andere kant een hart met een gat erin en een doornen kroon eromheen. Vanboven uit het hart kwam een vlam, alsof het een sigarettenaansteker was. Er deden wonderlijke verhalen over dit soort medailles de ronde. Zo zouden er in de oorlog kogels op afgeketst zijn. Verhalen dat ze bajonetmessen tegen zouden houden, kende ik niet.
Ik moest het ding van mijn hemd afhalen omdat hij het hebben wilde en daarna moest ik mijn hemd uittrekken.
En daar stond ik dan en kreeg kippevel en ik vroeg me angstig af wat die Luitwieler nu weer zou gaan doen en hij ging doen waar ik heel de tijd al bang voor was: hij zette de punt van de bajonet op mijn borstbeen.
Hij stak niet, maar begon een paar krassen over mijn witte vel te trekken, om precies te zijn drie: op mijn borst zette hij een grote

De krassen waren niet diep. Eerst waren ze wit en ze werden daarna rood en ik begon weer te zweten en dacht aan koudvuur en bloedvergiftiging, brijgezwellen en kwaadzeer en allerlei ziektes waar ik het fijne niet van wist.
Maar daarna, tot mijn opluchting, mocht ik mijn kleren weer aantrekken en hij spotte helemaal niet met de voering van mijn jas. Het kon hem waarschijnlijk helemaal niet schelen hoe ik gekleed was.
Ik mocht weg nadat ik de lap die om zijn gewonde hand zat goed had vastgeknoopt.
En ik kreeg geen bloedvergiftiging, buileneelt of splijtvel. De letter A verdween in het niets.