terug  begin  verder

Luitwieler weer

We waren een straat verder gaan wonen, op een bovenverdieping van een heel smal huis. De straat heette de Molenstraat, maar waar ooit de molen had gestaan groeide nu wat weegbree op de grijze keiharde klei.

We woonden boven een gezin waarvan de vrouw zowat doof was en voortdurend hard riep, zodat ze zelf nog enigszins kon horen wat er gezegd werd. Haar zoon Daan verzamelde handgranaten, die hij op de schoorsteenmantel uitgestald had.

Ik sliep in een pikdonker alkoof boven de handgranaten. 's Nachts werd ik weleens wakker. Soms van een ten hemel schreiende kiespijn, maar ook een enkele keer omdat ik opeens dacht aan de handgranaten die daar beneden op die schoorsteenmantel stonden. Wie weet wat ze aan het uitspoken waren.

 

Er verschenen nieuwe voortanden waarvan ik er meteen weer één brak. Ik ging moeiteloos van de kleuterschool over naar de grote school. Op de kleuterschool aan het Bellamypark hadden we onze tijd doorgebracht met vouwblaadjes en het maken van muizetrapjes. Ze had-

[p. 33]

den er ook kleine blokkendoosjes met schuifdeksels. De blokjes pasten exact in het doosje. Als ze er eenmaal in zaten ging het dekseltje, waarin een inkepinkje voor je duimnagel zat, dicht en werden de doosjes, alsof het blokjes waren netjes in de kast opgestapeld.

Matjes vlechten deden we ook veel. Toen ik van die school afging kreeg ik een schrift mee dat volgeplakt was met nette vlechtmatjes. Maar volgens mij had ik die dingen nooit gemaakt en was het schrift van een van de meisjes Snel. Ik wist niet precies van welke van de twee. Ze zaten samen in één bank en droegen allebei een smetteloze witte strik en eenzelfde soort jurkje met fris groenwitte ruitjes.

Ik kwam in de eerste klas van de R.K. Parochiale Jongensschool en jongens, wat was het daar druk! We zaten met z'n drieën in één bank. Er waren zoveel Jannen onder ons, dat juffrouw van Beers de eerste Jan Jan noemde, de tweede Jantje, de derde Johan, de vierde Janneman, de vijfde Johannes enzovoort. Ik mocht achteraan zitten en boekjes lezen. Ik las: Wim en de maan en Ons Vroolijk Volkje, oude boekjes met meer ezelsoren dan bladzijden.

Naast mij zat Gerke die altijd luchtgevechten tekende en met zijn scherpe potlood stippeltjes op het papier zette. De stippels waren de kogels en zijn potlood deed tak-tak-tak-tak op de bank. Wij kregen haast nooit een beurt, want wij konden al schrijven en rekenen en lezen en tekenen. En ik las over Jan en Piet en hun oom met de pijp en de jas en over een meis-je dat melk dronk en toch ziek werd en dood ging. Ze stierf aan de te-ring.

De boekjes waren nogal droog en dus keek ik maar naar de bommen van Gerke die in zee vielen of op schepen die grote kanonnen hadden. Gerke had een groene snottebel die steeds langer werd en die steeds op zijn tekening dreigde te gaan vallen. Net op het nippertje snoof

[p. 34]


illustratie

[p. 35]

hij het dingetje dan weer een eindje naar binnen. Ik weet niet meer wat ik het spannendste vond, de snotneus of de tekening. Ik denk de tekening.

 

De stad werd opgeruimd. Ze gooiden steen bij steen, ijzer bij ijzer, lood bij lood. Ze legden de straatstenen goed en vlak bij de dijk die de geallieerden ooit weggebombardeerd hadden om de Duitsers uit hun bunkers en tobruks weg te spoelen en hun het leven zuur te maken, hadden ze een nieuwe dijk aangelegd. En de modder die in zulke mooie patroontjes uiteen kon barsten, werd opgeruimd. Dode bomen die een soort blauwe rok van mossels aanhadden werden omgezaagd. Zeepokken werden van de huismuren afgekrabd en men bouwde rijen houten noodwoningen die binnen de kortste keren vol mensen zaten, wie weet waar ze allemaal vandaan kwamen.

En ik had er een broertje bijgekregen (een zusje was eerder aan mijn neus voorbijgegaan). In de kamer stond meestal een rekje met wasgoed rondom de kachel. Het broertje hield mijn moeder nogal bezig en dus kon ik af en toe weg zonder dat zij het merkte.

 

Op een dag ging ik dan ook weer eens naar buiten en omdat de zon flink scheen, stroopte ik de mouwen van mijn trui omhoog. En ik schoof ze meteen maar weer omlaag, want: daar had je Luitwieler weer en hij mocht dat met die mouwen eens verkeerd uitleggen... Ik was hem, verdorie, haast vergeten!

terug  begin  verder