terug  begin  verder

D 299

We liepen langs de ketelmakerij van de scheepswerf, aan de Aagje Dekenstraat. Het was een hoog gebouw van baksteen, ijzer en glas, van wel meer dan honderd meter lang. Er zaten boogramen in waarvan de meeste ruiten stuk waren en waaruit veel lawaai kwam. De ramen zaten hoog. Je kon niet naar binnen kijken. Daarbinnen moest mijn vader ergens werken. Hij schaafde staal en boorde gaten voor klinknagels. Hij had mij eens uitgelegd dat het koken van stuiken veel lastiger was dan het koken van overlappen, maar wat hij daar nu precies mee bedoelde wist ik niet. Het had niets met het koken van eten of wasgoed te maken, dat wist ik wel.

[p. 41]

Mijn vader stond 's morgens vroeg op, at staande aan het aanrecht een boterham met peperkoek of met een plakje gekookt vet spek, dronk een kop thee met veel melk en suiker en stapte naar buiten nog voor de stoomfluit van de Schelde ging, een soort verkouden geluid. Zijn broek piepte. Hij droeg een zwarte broek van volpool manchester, die piepte als hij liep. Drommen mannen gingen op hetzelfde moment op weg naar de fabriek en dus was er een heleboel gepiep van broeken en geroffel van werkschoenen in de straten. Ze wilden op tijd zijn.

Bij de ingang gooiden de werklieden hun koperen penningen in een bak. Mijn vader had penning D 299.

 

Naast de bak stond de portier die steeds maar weer op zijn horloge keek om, als het tijd was, op de seconde de klep van de bak dicht te klappen. Met de paar mannen die nog hard kwamen aanrennen had hij geen medelijden; hoe meer penningen van laatkomers hij kon verzamelen, hoe beter het voor hem was. Voor elke penning van iemand die te laat kwam werd hij extra betaald. En de laatkomers moesten voor elke minuut die ze te laat het fabrieksterrein opkwamen een half uur overwerken. Zonder betaling.

De portier was dan ook gehaat, maar bleef toch tamelijk lang portier.

Zo'n fabriek zat slim in elkaar en leek, net als onze school, een beetje op een gevangenis. De mannen moch-
illustratie

[p. 42]

ten zomaar niet weg en ik mocht hei terrein niet op, al kon ik nog gemakkelijk onder de slagboom door.

Ik kon dus nooit naar mijn vader gaan kijken, om hem te helpen of gewoon om eens te zien wat hij zoal sjouwde.

Maar op den duur kon je toch wel zien wat ze daar op die fabriek deden. De scheepswerf lag dwars in de stad en ze bouwden schepen die steeds hoger werden en met hun romp boven de huizen uitstaken. Je zag de grote ijzeren hijskranen draaien en heen en weer rijden en ze tilden stukken mast of schoorsteen of immense stukken machine. En je hoorde altijd wel gedreun van staalplaten of het gerakketak van de pneumatische hamers. Dat lawaai was soms zo hard, dat op de school waar ik zat en die vlak bij de werf gebouwd was, de meesters hun les onderbraken, en hun ogen in uiterste wanhoop ten hemel draaiden.

Mijn vader kwam 's avonds vuil, moe en met hangende schouders weer terug. Na het eten viel hij meestal in slaap op de divan. Hij snurkte dan weleens hard en was helemaal vertrokken. Hij droomde misschien ook nog van het soevereinen van klinknagelgaten, van snapkoppen, van zwei-kluften en vlampijpen en Schotse ketels...

terug  begin  verder