terug  begin  verder

Opdrachten

Op een dag stonden wij in het gelid, op alfabet, op lengte, op leeftijd. Luitwieler stond voor ons. Hij had het over die zogenaamde Vijfde Kolonne.

‘Het beste is,’ zei hij en hij pauzeerde even om aan zijn riem te sjorren. Dat was één van zijn gewoonten, aan zijn riem sjorren, zijn broek niet echt ophijsen, dan zijn schouders naar achteren buigen om zijn borstkas goed uit te laten komen. ‘Het beste is dat wij de kern van hun cel binnendringen,’ zei hij. ‘Wij noemen dat infiltreren.’

Hij keek ons een voor een aan, op alfabet, op lengte, op leeftijd.

‘Zo kunnen wij het beste aan de weet komen wat zij van plan zijn. Hoe doen we dat? Dat doen we door hen voortdurend in de gaten te houden.’

Wij knikten allemaal hard van ja, alsof ons hoofd eraf moest knakken.

‘Maar,’ zei hij, ‘dat kunnen wij niet allemaal tege-

[p. 58]

lijk doen. Dat zou te veel opvallen. Ik kan het ook niet gaan doen, natuurlijk, want ook dat zou te veel opvallen. Nee, een van ons moet hen bespioneren en dan verslag uitbrengen.’

Ik voelde dat Luitwieler mij aankeek. Hij had op de een of andere manier de overtuiging dat ik graag en ook netjes schreef. Ik keek maar naar de grond en hoopte vurig dat er een of ander interessant insektje voorbij zou kruipen.

‘Het moet iemand zijn die goed kan schrijven zonder veel fouten,’ zei hij. ‘Bijvoorbeeld iemand met een bril op.’

Ik was de enige die een bril op had.

‘En,’ zei Luitwieler nadrukkelijk om me naar hem te laten kijken, ‘het spioneren en opschrijven van wat zij allemaal uitspoken is nog niet alles. Je moet ook gaan aanpappen. Het beste is dat jij het aanlegt met dat grietje.’

Ik hoorde Jopie door open mond en neus veel lucht uitstoten en de anderen zouden wel grijnzen, die waren er mooi vanaf gekomen. Ik voelde wel dat de minachting die ze uitstraalden te maken had met dat aanpappen zoals Luitwieler dat noemde, maar het fijne begreep ik er niet van.

De anderen grijnsden niet lang, want Luitwieler had nog een opdracht. We moesten de ouders van Jantje Koppejan een lesje gaan leren. Luitwieler had het over oog om oog en tand om tand en we zouden daarom Jantje Koppejan gaan ontvoeren.

We werden er stil van, want al was Jantje maar een kleine wurm en eigenlijk geheel onbruikbaar voor onze verzetsgroep: vader Koppejan was groot en sterk en de moeder was helemaal niet misselijk. Je snapt niet dat van die grote mensen van die kleine kinderen kunnen krijgen. We hadden Jantjes moeder eens hout zien hakken.

[p. 59]

Met één slag van een zware bijl sloeg ze een dik blok wrakhout finaal in tweeën.

Dat hadden we een keer gezien, toen Jantje nog bij de groep hoorde en wij hem overgehaald hadden om aan zijn moeder iets lekkers, een stuk peperkoek of zoiets, te gaan vragen.

Maar wij kregen niets.

‘Zijn ze nou helemaal?’ had ze gezegd en daarna had ze die klap met de bijl gegeven. De stukken hout sprongen weg en een hond kwam grommend op ons af. Het was een groot, wit-bruin-roze beest met een glimlach alsof hij dingen van ons wist.

Jantje gaf de hond een stuk hout. Het dier zette zijn tanden erin of het een kotelet of een kuitbeen van een jongetje was.

Ik geloof dat de moeder van Jantje Koppejan toen al op de Zwarte Lijst kwam te staan.

En de hond ook, denk ik, al is een hond geen persoon.

Misschien maakte Luitwieler geen verschil tussen mensen en dieren en waren de mensen op de lijst voor hem even erg als honden.

terug  begin  verder