terug  begin  verder

Aanpappen 1

Papier was schaars in die tijd. Op school kregen wij één schrift en daar moesten wij met potlood in schrijven. Als de bladzijde vol was gomden we alles uit en zo konden we hem dan voor de tweede maal vol schrijven. Meestal zag dat er rommelig uit, omdat van het gommen het papier verfrommelde.

Om aan te kunnen pappen had ik papier nodig. Ge-

[p. 60]


illustratie

lukkig kreeg ik van mijn moeder een oud boodschappenboekje. Het had een oranje kaft en voorin stonden rijtjes boodschappen: bonen, Buisman, bruine suiker... Achterin zaten echter nog een paar lege bladzijden en ik vond ook nog een paar punten.

Met dat opschrijfboekje in mijn zak ging ik uitzoeken waar dat meisje woonde en ik volgde haar op een afstand toen ze uit school kwam. En ik schreef dat ze uit school kwam rennen met de andere kinderen. Ze droegen kartonnen vrachtwagentjes en bootjes en paasmandjes. Het zal dus wel tegen Pasen geweest zijn.

Het meisje dat ik in de gaten moest houden liet een papieren stoomboot door de lucht varen. Ze liet het vaartuig hevig dobberen en dat ging zo wild, dat de watten rookpluim uit de schoorsteen viel en wegwoei en ik haastte me om te helpen. Ik was net te laat natuurlijk, maar ik was toch heel dicht bij haar geweest. Dat allemaal schreef ik haarfijn in mijn boekje en ik tekende het bootje. Het deed me aan Sinterklaas denken, zo'n stoombootje, maar het kon natuurlijk ook best als mandje voor paaseitjes dienst doen.

En ik volgde haar naar huis.

 

‘En?’ vroeg Luitwieler later.

‘Het schiet al aardig op,’ zei ik.

Ik liet hem het boekje zien met het adres.

‘Dat had ik je ook wel kunnen vertellen,’ zei hij. ‘Je moet wel een beetje opschieten. De botsing met die kolonne kan niet tot in de eeuwigheid kunnen worden uitgesteld.’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei ik. ‘Stel je voor.’

[p. 61]

En 's avonds ging ik naar het huis van het meisje en omdat er een naambordje onder de bel geschroefd zat, schreef ik die over in mijn schriftje en zo wist ik dus ook al haar achternaam.

‘Dat is ook allang bekend,’ zei Luitwieler. ‘En haar voornaam is Pia.’

‘Wat een naam,’ zei ik.

 

Ik deed mijn best. Maar schoot absoluut niet hard op.

 

Op een zondagochtend volgde ik Pia van op een afstand. Ze ging met haar moeder en met wat waarschijnlijk een zus van haar was naar de kerk. Ze droeg een lange donkere jas en had een tasje in haar hand. Dat laatste was niets bijzonders, omdat meisjes toen geen broekzakken hadden en toch een zakdoek bij zich moesten hebben. Ze liepen door de Noordstraat en de Kromme Elleboog en de meisjes liepen naar christelijke gewoonte achterelkaar met één voet op de stoep en één voet in de goot, maar dat was na een tijdje afgelopen omdat de moeder het verbood. Volgens Luitwieler was het verdacht, maar ik vond het wel een leuk gezicht, want ze liepen in de maat en dat betekende een soort gehobbel.

Ze liepen naar de kerk. Niet onze kerk, maar naar de Sint-Jacobskerk, een hervormde kerk met een toren waarvan de top de vorm had van een ui. De kerk was vooral bekend omdat wij op school steeds weer moesten horen dat Michiel de Ruyter als jongen de toren ingeklommen was, om de zee te zien. Dat hij erin klom vonden wij wel voor de hand liggen, dat zou iedereen doen als hij de kans kreeg. Maar dat hij dat deed om de zee te zien was natuurlijk onzin, zo vonden wij, omdat de kerk op een steenworp afstand van de zee stond en je als je wilde de zee om de haverklap kon zien. Die kerk dus. Het gebouw was oud en van baksteen en er was een grote houten deur die openstond.

[p. 62]

En uit de kerk klonk geheimzinnig orgelspel dat de gelovigen naar binnen lokte. Pia en haar familie verdwenen de kerk in. De deuren gingen dicht.

Als dekmantel voor mijn rondhangen had ik een rubberen balletje dat ik voor mijn verjaardag gekregen had. Het was iets bijzonders, want tot dan toe was het behelpen geweest en moesten we ballen nabootsen door reepjes fietsband over een prop kranten te spannen. Met het rubberen balletje kon je goed stuiteren en het kwam meestal mooi terug als je het tegen een muur gooide.

Ik gooide het balletje tegen de muur van de kerk en probeerde een bord dat naast de deur hing te raken. Het was een houten bord waarop met duidelijke letters de aanvangstijden van de dienst waren aangegeven. Er stond niet op wanneer de dienst ten einde kwam en ik moest dus weet ik hoe lang wachten.

Even later ging de kerkdeur open. ‘Dat gaat veel vlugger dan bij ons,’ dacht ik, maar er klonk nog volop gezang. Naar buiten kwam een meneer, die met zijn vinger hakende bewegingen naar mij maakte alsof er aan mij een schroefoog zou zitten waarmee hij me naar zich toehalen kon. Omdat ik naar hém keek en niet naar waar ik gooide, vloog mijn balletje ergens, weet ik waar naar toe.

‘Hier wordt niet gebald,’ zei de man. ‘In elk geval niet tijdens de dienst. In de eerste plaats omdat het niet past en in de tweede plaats omdat het stoort. Je kunt het gestuiter goed horen daarbinnen, vooral als je tegen de deur aangooit.’

Ik antwoordde dat ik maar één of hoogstens twee keer tegen de deur had aangegooid en dat dat per ongeluk was gegaan en ik legde uit dat ik op het bord mikte.

‘Je hebt zeker twee keer tegen de deur gegooid,’ zei hij.

Dat klopte eigenlijk wel. Die man kon goed tellen

[p. 63]

besefte ik, het was iemand die op cijfers lette. Misschien was het de koster wel en ik vroeg me af of ze in die hervormde kerk ook geld ophaalden zoals bij ons in de roomse kerk. Dat was wel een leuk gezicht. Eigenlijk werd er de hele tijd geld opgehaald. De koster haalde plaatsgeld op en dan waren er nog collectanten. Dat was een groepje ernstige heren die tijdens de mis opstonden en hun handen met ritmische beweginkjes in handschoenen stopten en dan een stok gingen halen waaraan een blinkende koperen ring zat met een fluwelen zakje eraan, een soort schepnetje om geld van de parochianen te vangen. De stok was lang omdat men in lange rijen zat. De mannen droegen handschoenen om de stok soepel door hun handen te laten glijden. Ze leken soms biljart te spelen en schroomden niet te piqueren.

‘En dat is twee keer te veel,’ zei de man. ‘Maar hoe vaak heb je nu tegen dat bord aangegooid?’

‘Ik heb veertien punten,’ zei ik. Ik dacht dat ik hem wel een beetje gunstig kon stemmen door een getal te noemen. ‘Voor elke keer dat ik het raak krijg ik twee punten.’

‘Dan gooi je dikwijls mis,’ zei de man. ‘Want je staat al een hele tijd te ballen en zelfs als ze zingen hoor je dat gebonk.’

Hij ging naar binnen en sloot zachtjes de deur achter zich en deed hem weer heel even open, om te zien of ik aanstalten maakte om weg te gaan. Ik vroeg me af of hij nu geld op ging halen, maar ik ging toch niet kijken, vooral omdat ik mijn balletje nergens zag. Het lag nergens op straat en ik zag het niet achter het muurtje naast de kerk en niet onder de struikjes die daar stonden. Ik was bang dat het in een rioolputje gerold was, want het kon gemakkelijk door de gaten van de gietijzeren putten. Hoe ik ook zocht, ik vond het niet.

Ik besloot tegen een steunbeer van de kerk te gaan

[p. 64]

zitten wachten tot de dienst afgelopen was. Misschien had de man die zo goed tellen kon, gezien waar mijn balletje gebleven was. Of misschien had híj het wel.

Maar de kerkdienst was zomaar niet afgelopen. Steeds dacht ik: ‘Dat is het einde,’ en dan gingen ze opeens weer luid zingen en alles bijeen duurde het een eeuwigheid. Dat is ook logisch want kerkdiensten hebben altijd met de eeuwigheid te maken.

Maar aan de eeuwigheid kwam ten slotte toch een einde toen de kerkdeur openbarstte en de gelovigen elkaar naar buiten stuwden. Zo ongeveer gaan ook scholen uit en zo verlaten ook arbeiders de fabrieken van hun bazen. Ze knipperden met hun ogen in het felle middaglicht en waren blij dat ze bevrijd waren. Kerken hebben dan iets met eeuwigheid te maken, ze zijn ook tekens van bevrijding en verlossing.

Ik verstopte me zo goed mogelijk achter een steunbeer toen Pia en haar zusje naar buiten kwamen. De meisjes liepen rakelings langs mij heen en Pia kreeg duidelijk een zetje van haar zus en daarna renden ze lachend weg waarbij Pia haar zus met haar tasje wilde slaan.

Toen de meneer die zo goed tellen kon de deuren weer dicht kwam doen, vertelde ik dat mijn bal kwijt was. Hij zei dat hij dat erg jammer vond, want hij had best wat mee willen ballen. Ik geloofde hem maar half.

terug  begin  verder