terug  begin  verder

Kaarsje 1

Twee taken had ik dus nu: ten eerste het aanpappen met Pia en ten tweede het zoeken van een kaarsje. (Het doosje lucifers was geen probleem.)

Ik had thuis al in het doosje met kerstspullen gekeken, maar bijna alle kerstboomkaarsjes waren zowat opgebrand. Ik vond nog slechts één onnozel rood stompje in een kaarshoudertje. Daar durfde ik niet mee aan te komen zetten. Het was amper zo groot als de nagel van mijn duim en het zou, als je het aangestoken had, binnen de kortste keren tussen je vingers wegsmelten, brandend kaarsvet zou op de vloer druipen, de vloer, de meubels, de gordijnen van Jantjes kamer zouden vlamvatten, het huis van de familie Koppejan zou in een mum van tijd in brand staan en dat kon niet direct de bedoeling zijn en ik wilde zeker niet Luitwieler op die fantastische gedachte brengen.

Mijn moeder had een Heilig Hartbeeld van gips. Tijdens een van de bombardementen en beschietingen aan het einde van de oorlog was de linkerschouder eraf geschoten en je kon zo in het donkere, holle binnenste van Jezus kijken. Voor het beeld, dat toch nog jaren dienstdeed, brandde zij op de eerste vrijdag van de maand een waxinelicht, maar dat kon ik moeilijk meenemen. Dat zou te veel opvallen, want het beeld en het lichtje stonden op een plankje dat op een duidelijk zichtbare plaats aan de kamermuur bevestigd was. Bovendien zou Luitwieler verbaasd hebben staan kijken als ik met zo'n soort theelicht aan was komen zetten.

[p. 71]

Ik keek thuis ook nog even naar de schemerlamp die bestond uit een metalen ankertje op een voetstuk en een perkamenten kap waarop een driemaster geschilderd was die door helgroene golven voer, maar er zat slechts een kort snoertje aan, nee ik moest echt wel een kaars zien te vinden.

Kaarsen zag je vooral in onze kerk. Bij het Maria-beeld brandden nogal eens kaarsen, maar de echte grote kaarsen had je op het koor. Naast het altaar stond de paaskaars, een boom van een kaars, die nooit opging, ook al omdat-ie maar af en toe aangestoken werd. En op het altaar zelf stonden zeker zes prachtkaarsen, gemaakt van zuivere bijenwas. Die kaarsen waren zeker vijf tot zes centimeter dik; precies wist ik het niet, want ik zag ze altijd maar van een afstand en verder stonden ze erg hoog. Ze waren gepind op kolossale koperen kandelaars die als zes Eiffeltorens op een verhoging van het hoofdaltaar stonden, met de koperen tabernakeldeur in het midden.

Ze stonden zo hoog dat de koster, toch een volwassene, ze alleen met behulp van een meterslange stok aan kon steken. Aan de top van de stok zat aan de ene kant een lont gedraaid. Eerst stak hij de lont aan en dan kon hij die hoogstaande kaarsen aan krijgen. Ze gingen alleen aan tijdens de Hoogmis en op feestdagen en tijdens het Lof. Daarna gingen ze uit. Dat deed de koster met de snuiter die ook in de buurt van de lont aan de stok zat. Hij hield de snuiter steeds een tijdje over de vlam. Dat was spannend om te zien, want het vlammetje bleek vaak, als hij de snuiter er weer af tilde, niet uit te zijn. Wat hield ik van die hardnekkige vlammetjes, die maar met veel moeite uit te krijgen waren!

Zo'n altaarkaars weghalen zou, zo besefte ik tot mijn spijt, heel erg opvallen. Een kaars weghalen zou de symmetrie verbreken en zo'n ding zou, ook als hij niet

[p. 72]

brandde, ogenblikkelijk gemist worden. Dan kon je er nog beter twee tegelijk weghalen. Maar ik gaf het plan uiteindelijk toch op, al vermoedde ik dat de oplossing van het probleem toch ergens in de kerk gevonden zou moeten worden. Kaarsen lagen thuis en op straat niet voor het oprapen.

Het idee van een kerkkaars was mooi. Het leek me prachtig om met zo'n grote kaars aan te komen zetten en te zeggen, nee niets te zeggen en dan de kaars vanonder mijn jas te voorschijn te halen. Ik twijfelde er trouwens aan of mijn jas zo'n kaars wel helemaal zou kunnen bedekken, hij zou er wel een flink stuk van boven of van onder uitsteken...

terug  begin  verder