Op woensdagavond zat ik met Pia aan de waterkant van de Kommedijk. Voor ons staken een paar slordige zeeasters uit de koffiekleurige modder en achter ons groeiden een paar houterige struiken.
Het was al laat, de zon was met veel vlagvertoon vertrokken en er zat nog wel ergens een blauwgroene vlek met een hele dunne gele maan erin, maar waar wij zaten werd alles zo zachtjes aan grijs. We dachten niet aan huis, want daar zwaaide wat. En ik had iets beters te doen dan in mijn bed in de alkoof te liggen, want nu gebeurde er iets bijzonders: nu kwamen het kaarsje en het aanpappen samen!
Pia had het kaarsje aangestoken en het op een plankje gezet en met een stok duwde ze de plank het water in.
Ik had nog willen zeggen: ‘Hé, dat kaarsje moet ik terug hebben!’ maar ik hield me in. Ik had dan immers aan haar moeten uitleggen waarvoor ik het nodig had en bovendien was het ook een beetje haar kaarsje, het kwam uit een doos van haar kerk. En misschien zou de plank wel weer terug naar de kant drijven. De wind zou me misschien kunnen helpen.

Maar de anders altijd ongedurige wind was gaan liggen en hield zich gedeisd. Het was stil daar, de zeeasters stonden roerloos, geen rimpeltje lag er op dat water. Het kaarsvlammetje bewoog dan ook nauwelijks. Het stond daar maar rustig op zijn plankje te branden en dat branden leek steeds beter te gaan, maar dat kwam natuurlijk omdat het rondom donkerder werd.
We keken een tijd naar het kaarsje en ik keek naar Pia die op haar hurken zat. Ze had haar dunne armen om haar knieën geslagen. Haar ogen straalden. Dat kwam door dat kleine kaarsje. Ze merkte dat ik keek en we schoten in de lach en keken dan weer naar dat kaarsje.
Er ritselde iets in de struiken achter ons en het vlammetje flakkerde even. Misschien kwam er toch weer wat wind.
‘Het zwaait naar ons,’ zei Pia. ‘Zeg, als je ooit eens een boek schrijft, als je ooit eens een boek gaat schrijven, zet je mij er dan in?’
Dat kon ik gemakkelijk beloven, want ik had nooit gedacht aan het schrijven van een echt boek met weet ik hoeveel bladzijden. Ik had dan wel een paar dingen geschreven in een oud huishoudboekje waar nogal wat bladzijden met boodschappen en cijfers uitgescheurd waren, maar een echt boek schrijven...
‘Als je ooit een boek schrijft,’ ging Pia verder, ‘zet je mij er dan in bij het water met een plankje met een kaarsje erop?’
‘Dat is niet spannend,’ zei ik.
‘Voor het kaarsje wel,’ zei ze.
‘Zeg,’ begon Pia weer, ‘dan moet je niet schrijven dat ik dun ben en dat ik van die dunne armen heb, want dat is lelijk, zegt mijn zus.’
‘Misschien word je wel dikker,’ zei ik, ‘als je groot bent.’
We vergeleken onze polsen. De mijne waren dikker.
‘Maar ik ben ook een jongen,’ zei ik.
‘Jongens zijn niet altijd dikker,’ zei ze.
We keken nog eens goed naar onze polsen daar in de schemering. Haar armen waren echt dun. Er viel niet veel over van die dunne armen te schrijven. Je kon natuurlijk schrijven dat ze dun waren. En misschien braken ze even gemakkelijk als de witte stokjes die je op het strand kon vinden. Die stokjes deden me altijd aan botten denken. In een verhaal moesten die dunne armen op zijn minst breken, anders was het de moeite niet waard om ook maar twee regels aan het dun zijn van armen te wijden. Er moest op zijn minst een kar of een stoomlocomotief overheen rijden, maar dat zou voor Pia geen pretje zijn.
Ik beloofde daarom dat, als ik ooit een boek zou schrijven, ik met geen woord over haar armen zou reppen, behalve...
Op dat moment klonk er een hevig geritsel in de struiken achter ons en vlak bij het plankje klonk een plons. En weer was er een luid geplons heel dicht naast het plankje. Het plankje sprong op en het kaarsje viel eraf en verdween in het water.
Het leek nu aardedonker en we kropen weg onder een vlierstruik en luisterden naar het geritsel van iemand die door struiken liep. We zagen niet wie het was, maar ik had wel een sterk vermoeden.