Het vlot


auteur: Wim Hofman


bron: Wim Hofman, Het vlot. Van Holkema en Warendorf, Houten 1989 (tweede druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Op zoek naar de Mississippi

De vloer van de zesde klas was pas geschrobd en de planken vloer zorgde voor een muffe geur. De kachel achter in de klas was een flinke knaap en brandde. Er zat een lange zwarte pijp aan die eerst recht omhoog ging, dan een scherpe bocht maakte, vervolgens een eind langs het plafond liep om dan uiteindelijk ergens in de zoldering te verdwijnen. Daar zaten zwartbruine vlekken. De kachel ronkte en bromde en er zat ergens een gaatje dat eruit zag als een geniepig heksenoogje.

Buiten op de scheepswerf hamerden ze al volop met hamers op staal, maar het was nog vroeg in de ochtend,

[p. 106]

de school was nog niet begonnen. Ik was nog nooit in de zesde klas geweest. Je ging niet zomaar een andere klas binnen, maar ik zocht de Mississippi en die moest zich bevinden op de wereldkaart die hoog boven het bord hing.

‘Wat zoekt u hier?

Ik schrok: dat was de stem van de meester van de zesde en het hoofd der school. Hij droeg een bruin pak met streepjes en een hoed en in zijn hand had hij een bruine leren boekentas. Hij legde tas en hoed op de lessenaar. Uit de zak van zijn bruine vest haalde hij met duim en wijsvinger een sleuteltje waarmee hij het slotje van zijn tas opende.

Ik zei dat ik de Mississippi zocht. Hij antwoordde dat ik die pas in de zesde klas kreeg, maar hij liep toch naar de hoek van de klas, om het touw los te knopen waarmee je de landkaart naar beneden kon takelen. Even later zakte de hele wereld voor het bord. Hij zag er vooral blauw uit. Dat waren de oceanen en zeeën. Het land was groen, bruin en geel en de Mississippi bleek een zwarte lijn te zijn die zich door het groen en bruin heen kronkelde.

‘Dit,’ zei meneer De Bont, want zo heette het hoofd van onze school, ‘is de Mississippi, jongeman.’

Hij had het touw weer vastgemaakt en tikte met een stok die op een biljartkeutje leek tegen de kaart en de hele wereld beefde ervan. Hij bewoog daarna de stok naar boven.

‘De Mississippi is een rivier die hier ontspringt,’ zei hij. ‘Hier, bij het Itacameer. En dan loopt hij helemaal zo naar het zuiden met allerlei stroomversnellingen door prairies, immense grasvlakten, ruige bergachtige streken en zware bossen zo naar de Golf van Mexico. Hier is dat. Daar is de rivier breed, misschien wel een kilometer of meer. Dat is niet zo breed als de Westerschel-

[p. 107]

de, want die is hier bij Vlissingen wel vijf kilometer breed. De Mississippi is een lange rivier, misschien is hij wel drieduizend kilometer lang. Zo, dat was de Mississippi. En waarom uitgerekend de Mississippi?

‘Het stond in een boek,’ zei ik.

‘Dan is het goed,’ zei hij.

 

Later tekende ik de Mississippi. Hij zag er ongeveer zo uit:



illustratie

[p. 108]

In het zwarte water van de Mississippi lag een rechthoekje een dat was het vlot van Huck Finn. Het water was zwart omdat ik Oostindische inkt gebruikte. Dat was fantastisch spul, het was watervast en je kon ermee tekenen en schilderen en je kon het dun maken met water, dan werd het grijs. Je kon er heel goed de Mississippi mee tekenen. Maar ik tekende ook de Westerschelde en daar lag ook een vlot in.

 

Steeds vaker ging ik van huis en steeds verder, soms te voet, soms met de fiets van mijn moeder die een slot met tijdklok had en een rokkenscherm van zijdekoord. Maar iedere keer weer ging ik naar het strand. Ik had het gevoel dat alleen aan de rand van de zee mijn idee vaste

illustratie

[p. 109]

vorm krijgen kon. Het zat me dwars als een flintertje vlees tussen de tanden, als een gat in je sok waar je teen telkens weer doorheen steekt.

Ongedurig werd ik als ik de zee zag en de einder die voor mij het begin van alles leek. Uit die verre verte kwamen immers de geheimzinnige groene flessen aanspoelen die ik steeds weer tegen het licht hield om te zien of er geen briefje in zat. Ze glommen van de zon en het zeewater. Ze bevatten altijd wel een spannend of droevig verhaal en er stonden cijfers op en tekens die ik niet begreep. Uit de verte kwamen ook de bleke plankjes met woorden als Herrings, Kaltgepresst, Colombelle, H.M. Vorsicht, of Cataluña waarbij ik me verwonderde over het kronkeltje boven de n. En de blikjes met in gouden letters Olio erop, of Mensch. Kistjes waarop gewoon Zakje Blauw stond, maar ook kistjes met weer van die vreemde letters en tekens die ik niet kende:

[p. 110]



illustratie

De ene dag zag ik eindeloze rijen uien, de andere tientallen gloeilampen en ik stelde me voor dat die in de nacht de golven verlicht hadden. Ik vond bamboestokken even groot als ikzelf en zeer geschikt om er vliegers van te maken, grasgroene pinda's, wortelknollen in bizarre en de meest fantastische vormen, stukken kurk, wrakhout waarop eendemossels groeiden, massa's schelpen, katvissen die als zebra's gestreept waren, slangsterren waarvan de armen al braken als je er maar naar wees, kwallen roze als een winterzon en met meterslange slierten.

Eens vond ik een zware hoge schoen op het strand.

illustratie

[p. 111]

‘Hup, weg,’ zeiden de golven en ‘weg, weg,’ zei de wind.

Het water was rusteloos en de wind was rusteloos en wat kon ik dan anders zijn? Ik vulde de schoen met zand en gooide hem zo ver mogelijk de zee in. Hij verdween ogenblikkelijk onder water en begon aan een eindeloze donkergroene tocht langs oude scheepswrakken naar eeuwen geleden verdronken steden en naar weet ik waar.