terug  begin  verder

[p. 123]

Stilleven

In mijn gedachten was een worm altijd een buisje dat mooi om een haakje paste. Wormen waren als het ware een soort sokjes, voorbestemd om over haakjes te gaan. Een worm aan een haakje doen viel in werkelijkheid echter tegen, want toen ik voor de eerste maal in mijn leven een landworm aan een vishaakje wilde rijgen, zag ik dat een haakje wel zo'n beetje gebogen is in de vorm van een worm, maar eigenlijk vijandig en totaal tegengesteld is aan de worm.


illustratie

[p. 124]

De worm is zacht en buigzaam en kronkelt onwillig tussen de vingers. Een haakje is staalhard en onbuigzaam en star en heeft een vlijmscherpe punt waar de worm niets van moet hebben. Hij is nog niet in de buurt van het puntje of hij trekt zijn kop al in en spartelt als een bezetene heen en weer in de hoop dát niet te hoeven meemaken.

Ik had een oude bezemsteel uit het schuurtje gehaald en er een paar meter vliegertouw aan vastgeknoopt. Om het touw zat een kurk met een meeuweveertje die als dobber moest dienen en aan het uiteinde zat een haakje. Uit ons tuintje had ik een paar wormen gehaald.

 

Het kanaalwater was in die tijd nog schoon. Er dreven toen nog geen stukken piepschuim, melkkartons, vuilniszakken, plastic flessen, bierblikjes, vacuüm verpakte plakjes ontbijtspek, WC-eenden. Toen had het water nog niet de zeven kleuren van motorolie. Er zwommen toen nog vissen bij de vleet: aaltjes, wijting, platvissen.

Ik legde in vlak bij de Keersluis en in een mum van tijd ving ik een schar die dacht dat hij een lekker zacht en mals wormpje te pakken had. Maar dat was andere koek. In de smeuïge worm zat een geniepig haakje. Dat had ik erin gedaan. Een worm is geen vriend van een vis, maar als die worm had kunnen roepen, dan had hij die vis vast en zeker gewaarschuwd.

Het was toch al te laat voor die vis. Hij spartelde eerst nog wat onder water en toen nog even in de lucht. Maar hij had mooi spartelen.

Ik zette mijn voet op de vis en snokte het haakje uit de bek. Een afschuwelijk geluidje was dat en het zette een punt achter het vissen van die middag. Voor de vis was het lelijk en voor mij mooi geweest.

[p. 125]


illustratie

Thuis legde mijn moeder de vis op een plank. En ze legde een mes klaar.

 

Plank.

Vis.

 

Mes.

Een tijdje keek ik naar de vis. Zijn tijd was gekomen en ik gruwde ervan. De vis had de bek wijd open en lag daar in doodse stilte te gillen alsof hij wist dat zijn kop eraf moest.

[p. 126]

En zijn kop ging eraf. Het mes deed knerpend zijn werk. De buik ging open en er kwamen nog wat bruinrode dingetjes uit. Met een schaar knipte mijn moeder stukken van staart en vinnen af. Ze schonk een bord vol melk en legde de vis daarin. Alsof dat iets goed maakte! De vis had mooie oranjerode vlekjes op zijn rug. Hij lag stil. Zijn kop lag ergens anders.

Ze bakte de vis in een zwarte koekepan, de witte kant van de vis eerst.

‘Ssssss,’ deed de vis, alsof alles toch nog met een sisser afliep.

 

Ik sneed het touwtje los van de stok en rolde het om de kurk. Het touw en het haakje en mijn vingers roken naar de vis, alsof zijn ziel daar nog ergens rondhing.

Ik besloot het vislijntje wel mee te nemen, een stok zou ik wel ergens anders kunnen vinden, die dreven ook wel in zee. Maar ik wist niet zeker of ik veel vis zou gaan vangen. Ik zou natuurlijk ook mossels kunnen eten en kreukels of desnoods krabben die je gemakkelijk met een stukgeslagen mossel vangen kon.

 

Pia zei: ‘Jullie aten vis. Ik zag een kat wegrennen met een vissekop, ik bedoel dat hij de kop van een vis in zijn bek had. Hij tjoepte hier door het hekje.’

Zij stond als vanzelfsprekend bij het hekje.

‘Wij eten niet vaak vis,’ zei ze. ‘Wat mijn moeder lust, eet mijn vader niet en omgekeerd. Mijn moeder laat wel eens expres de aardappelen aanbranden en dan eet mijn vader ze gewoon op. Hij geeft dan geen krimp. Ze heeft ook wel eens heel veel zout in de soep gegooid en hij deed net alsof hij het heel lekker vond en alsof hij nog nooit zulke heerlijke soep had gegeten. Wij deden niets anders dan vieze gezichten trekken. Maar vis eten wij weleens, vooral omdat mijn vader dat lust. Wij hebben

[p. 127]

een keer stekelbaarsjes gevangen en die heeft zij toen voor mijn vader gebakken. Dat was zielig, want de visjes gingen levend in de pan en ze sprongen op en neer.’

‘Vissen hebben het moeilijk,’ zei ik, en dacht aan mijn vis en hoe die zijn kop kwijtgeraakt was.

‘Mensen ook wel,’ zei Pia.

terug  begin  verder