terug  begin  verder

Meisjes 2

Pia schoof een beetje dichter naar mij toe. Ik vond dat ze naar aardappelpuree rook.

‘Mijn zus gaat nu met twee jongens tegelijk,’ zei ze. ‘Ze zegt dat ze dan lekker twee keer per week naar de film kan. Eerst neemt Joop van Schie haar mee naar Alhambra en dan gaat ze naar Luxor met Storimans. Zijn voornaam ken ik niet. Maar ze moet oppassen, want die twee mogen het niet weten.’

‘Wat niet?’ vroeg ik.

‘Dat zij met allebei gaat,’ zei Pia. Ze had een korstje op een van haar benen en daar peuterde ze aan. Ze probeerde het met de nagel van haar pink op te lichten.

‘Vorige week wilden ze allebei naar Tarzan en dus

[p. 135]

ging ze vrijdag met Storimans naar Tarzan en zaterdag ging ze nog een keer, maar toen met Joop van Schie.’

‘Lastig,’ zei ik.

‘Wat is lastig?’ vroeg Pia.

‘Verdomd lastig, vriendjes hebben,’ zei ik.

‘Hoezo?’ vroeg Pia. ‘Jij bent toch ook mijn vriendje?’

Ze had nu het roofje eraf gehaald, bekeek dat eerst goed en deed er daarna wat spuug aan om het terug op het wondje te plakken.

‘Wil jij dan niet naar de film?’ vroeg Pia. Ze blies tegen het korstje op de wond. Misschien wilde ze het eraf blazen.

Ik was wel eens in het Luxortheater geweest. Het had een filmzaaltje met een oplopende vloer en stoelen met zittingen die opklapten als je opstond. Het was er donker, druk en rumoerig. Er lagen toffeepapiertjes en het rook er naar eau de cologne. Je kreeg eerst reclame en nieuws en een paar voorfilms waar iedereen doorheen praatte en ook bij de hoofdfilm was het rumoerig.

‘Hé, sla erop!’ werd er geroepen als er op het doek geslagen werd en er werd gefloten en gelachen als er in de film gekust werd en als er gelachen moest worden werd er luid met de voeten op de houten vloer getrappeld totdat iedereen ‘ssssssssssss’ deed.

Natuurlijk wilde ik best naar de film en naar Tarzan waarvan ik gehoord had dat de wilden zijn ogen uit wilden branden en dat hij zich hangend aan een liaan door het oerwoud verplaatste. Alleen, voor een jongen zoals ik met maar een dubbeltje zakgeld, was het zomaar naar de film gaan niet weggelegd. Voor een dubbeltje kon je bij lange na geen kaartje kopen en zeker geen twee kaartjes. Bovendien wilde ik sparen. Al het geld dat ik vond, kreeg, of verdiende stopte ik in mijn spaarpot, een leeg blik waar appelstroop in had gezeten.

[p. 136]

Ik hoefde niet lang te rekenen; één keertje film betekende weken sparen, en mijn busje zou permanent zijn blinkende bodem laten zien.

‘Wat een larie,’ zei ik. ‘Twee keer naar dezelfde film.’

‘Ze kijken niet de hele tijd,’ zei Pia. ‘Ze doen ook wel andere dingen.’

‘Hoe weet jij wat zij doen?’ vroeg ik. ‘Ben je dan wel eens meegeweest?’

‘Nee,’ zei Pia. ‘Maar Poppy vertelt me wat ze doen. Ze vertelt wat Joop van Schie doet en wat die Storimans gedaan heeft. Er zit eigenlijk niet zoveel verschil tussen. Misschien dat ze daarom zo moeilijk kan kiezen.’ Pia knipte het korstje weg. ‘Dat zal het zijn,’ zei ze. ‘In zo'n bioscoopzaal is het donker, op den duur weet je niet wat het verschil is.’

‘Wat doen ze dan?’ vroeg ik. Ik vond het eigenlijk maar een raar verhaal: naar de film gaan en nog eens naar dezelfde film gaan en dan niet alleen naar de film kijken, maar dingen doen...

‘Dat jij dat niet weet...’ zei Pia.

Op dat moment ging de keukendeur open en mijn moeder kwam iets uitkloppen, een zwabber of een bezem, zoiets. ‘Wim,’ zei mijn moeder, ‘je moet dadelijk even wat spek halen bij de slager. En je moet toch nog huiswerk maken?’ Maar ze had het zeker druk, want ze ging weer naar binnen.

‘Wat ze doen?’ zei Pia. ‘Nou, ze gaan gewoon naar binnen en dan gaan ze zitten en dan is er eerst een tijdje muziek en dan gaan de lichten langzaam uit en dan schuift bijvoorbeeld de hand van Storimans achter Poppy om over de leuning en dan legt hij zijn arm over haar schouder en dan legt zij haar hoofd op zijn schouder en dan kijken ze naar de reclame. Maar als het licht weer aan gaat zitten ze weer gewoon, alsof er niks gebeurd is.

[p. 137]

En dan, zo gauw het weer donker is, dan legt hij bijvoorbeeld zijn hand op haar knie en dan legt zij haar hand op zijn hand en soms gaan ze elkaar kriebelen en Poppy gaat dan nogal gauw giechelen maar daarna zijn ze weer even rustig omdat er mensen zijn die zeggen dat ze op moeten houden.’

‘Ik zou dat nooit doen,’ zei ik.

‘Wat zou jij nooit doen?’ vroeg Pia.

‘Nou, dat allemaal,’ antwoordde ik. ‘Als ik naar de film ga dan wil ik dat het een spannende film is en dan zou ik nooit zo zitten vervelen en ik zou ook Poppy niet gaan zitten kietelen. Dat is toch heel storend.’

Pia was een tijd stil en peuterde met een van de kromme spijkers in het pad.

‘Jij snapt er niets van, geloof ik,’ zei Pia toen. ‘Natuurlijk ga jij niet met Poppy naar de film. Jij bent ook geen vriendje van Poppy en bovendien is ze veel te oud voor jou. Het idee. Jij moet natuurlijk met een ander meisje naar de film gaan, een meisje dat je erg leuk vindt. Ken je er geen?’

Ik roerde met de schroevedraaier in het kistje en hutselde de ruwe rondhoofden, de Union Tacks, de tapijtspijkers, de krammen, sleutels en weet ik wat al niet nog eens goed door elkaar en dacht intussen na over meisjes. In onze buurt woonden tientallen kinderen en daar waren heel wat meisjes bij. Hoeveel wist ik niet, ik had ze nooit geteld.

Pia noemde een stel namen.

‘Wat vind je van Anneke de K.?’ vroeg ze.

Ja, wat vond ik daarvan?

En van Sofie S., die altijd met jongens wilde vechten en hen dan in hun piemeltje kneep? En van Lucie B. die vol sproeten zat en Wies v.d. P. die ooit haar enkel had gebroken in de speeltuin? En van Annie hoe heet ze ook al weer, met die lange haren die ze steeds naar ach-

[p. 138]

teren gooit en denkt dat dat zo hoort omdat ze dat in een meisjesboek heeft gelezen?

Ja, wat ik ervan vond. Ik vond er niet zoveel van. Ik kende eigenlijk niet echt veel meisjes. Eigenlijk kende ik ze slechts oppervlakkig. Ik had geen zusjes. Meisjes zaten op de meisjesschool. Ze droegen jurken. Ze hadden lang haar met strikken. Ze zaten in de linker beuk in de kerk. Hun kerkboekjes waren wit of lichtblauw en hun rozenkransjes waren wit of lichtblauw. Jongens hadden zwarte of bruine, stevige rozenkransen, als ze ze al hadden. Meisjes hadden meer versierinkjes, ringetjes, strikjes, schommelende oorbelletjes. Ze deden spelletjes die jongens nooit deden. Ze voetbalden niet op straat. Op school leerden ze pannelappen haken. Ze reden op fietsen zonder stang en van mijn moeder wist ik dat ze beter geschikt waren om hun moeders te helpen dan jongens. Ze moesten dan ook doorgaans dichter bij huis blijven dan jongens. Ze konden dan meteen geroepen worden door hun moeders.

Ik vermoedde dat dat laatste al reden genoeg was om blij te zijn dat ik een jongen was, maar waarom er tussen meisjes en jongens zo'n apartheid bestond was mij niet duidelijk. Dat was een van de vele dingen waarvan de diepere betekenis mij ontging.

Er waren meer dingen die ik niet snapte. Ik begreep bijvoorbeeld niet waarom auto's voorrang kregen in het verkeer. Ze konden toch veel harder dan een voetganger of een fietser. Ze konden best even wachten en dan waren ze toch nog snel waar ze zijn moesten.

Zo vond ik het ook vreemd dat je overdag moest werken of op school moest zitten. Je kreeg dan net vrij als het donker en koud begon te worden en je niet meer buiten kon spelen.

Ik vond dat er meer slecht geregeld was. Als je bijvoorbeeld 's zomers naar het strand ging dan was het

[p. 139]

druk en had je maar weinig ruimte om te voetballen bijvoorbeeld. En in de winter, als je eigenlijk niet zo nodig naar het strand hoefde, omdat het dan regende en waaide en het steenkoud was dan liep er geen sterveling en was er ruimte te over.

Ik vond dat de dingen net andersom georganiseerd moesten zijn. Winter betekende bijvoorbeeld voor de mensen: jassen aan, dikke sokken, wanten, borstrok aan, das om en muts op. Maar de bomen deden net het tegenovergestelde: die kleedden zich uit en stonden de hele winter in hun blootje. Dat is precies het tegenovergestelde van wat de mensen deden en het kwam slecht uit: je had waar wij woonden vooral in de herfst en in de winter veel wind en juist 's winters zouden de bomen en struiken vol bladeren moeten zitten. Je kon dan veel beter uit de wind fietsen.

Er waren tal van dingen waar ik wel wat commentaar op had en waar ik het fijne niet van begreep. Ik dacht dat ik naarmate ik ouder zou worden wel achter de zin van dit alles zou komen. Ik zou dan ook begrijpen waarom de wereld verdeeld is in mannen en vrouwen, zo dacht ik. Nu wist ik niet veel van meisjes af. Ik wist meer van spijkers en schroeven en snapkoppen en slotbouten dan van meisjes, zo leek het wel.

 

De keukendeur ging even open en dicht. Aan de buitenkant hing aan de klink een boodschappentas te schommelen. Ik kende dat. In de tas zou een briefje zitten met instructies, wat geld en eventueel een lege fles.

‘Ik moet boodschappen doen,’ zei ik.

‘Smoesjes,’ zei Pia. ‘Je weet niks en je vertelt niks en je bent stiekem, dom en gemeen. Ik vertel je van alles en jij vertelt niets en je weet niks van meisjes. En haal maar lekker spek voor je moeder!’ Ze gooide het hekje hard achter zich dicht en weg was ze.

terug  begin  verder