Toen ik terug kwam van Slagerij Pol met mijn tas met doorregen speklapjes stond Pia bij ons hekje.
‘Je moet meekomen!’ zei ze. Ze was opgewonden en haar gezicht straalde alsof ze voor het eerst van haar leven een negen op haar rapport had gekregen.
‘Ik moet die spijkers nog opruimen,’ zei ik.
‘Dat kan altijd nog,’ zei ze. ‘Je moet opschieten. Hang die tas aan de klink en ga vlug mee. Dadelijk zien we ze niet meer.’
Ik deed wat ze zei en ik holde met haar mee tussen de schuurtjes en heggen door naar de Hogeweg.
‘Sss!’ deed Pia. Ik hijgde alleen maar.
Ze stootte me aan en bewoog haar wijsvinger op en neer in de lucht alsof ze op het knopje van een onzichtbare deurbel duwde.
In de verte liepen haar zus Poppy en Joop van Schie.
‘Wat is ermee?’ vroeg ik.
‘Ze gaan naar het strand,’ zei Pia.
‘O,’ zei ik.
Het liep tegen de zomer en de lucht was blauw en het was dus absoluut geen slecht idee om naar het strand te gaan.
‘En wij gaan erachteraan,’ zei Pia. ‘Maar ze mogen ons niet zien.’
Dat klonk spannend en dat gaf misschien wel de doorslag om met Pia mee te gaan. We verstopten ons achter lantaarnpalen, slopen omzichtig langs gevels van huizen en kropen achter muurtjes en heggen.
‘Eigenlijk hoeven we niet zo moeilijk en ingewikkeld te doen,’ zie Pia toen we beiden gehurkt achter een struikje zaten. ‘Ik weet toch wel waar ze naartoe gaan.
En ik weet ook wat ze gaan doen. Daar kan je nog wat van leren. Kom, dan steken we een stukje af.’
We namen een kortere weg naar het strand en renden door een gebied waar kruipwilgen groeiden en riet dat ver boven ons uitstak. We waren ongeveer gelijk met Poppy en Van Schie op het strand. Poppy had schoenen met hoge hakken aan en liep niet vlug.
Toen ze ons zagen zeiden ze iets tegen elkaar en daarna kwam Van Schie op ons af. Poppy bleef op een afstandje staan en tekende wat met haar hak in het zand.
‘Hoi, die Jopie!’ zei Pia opgewekt.
‘Wat komen jullie hier doen?’ vroeg Joop van Schie.
‘Wij?’ deed Pia verbaasd. ‘Niets bijzonders. Wat doen jullie hier? Gaan jullie een beetje...’
‘Dat gaat je niks aan,’ zei Van Schie.
‘Ze komen natuurlijk vervelen,’ zei Poppy.
‘Wij mogen hier best op het strand spelen,’ zei Pia. ‘Er is plaats genoeg.’
Dat was waar. Het strand was op ons vieren en een paar vogels na leeg. Het was laag water en de zon zorgde voor schitterende dingetjes op de zee. Kleine golfjes schoven voorzichtig, alsof ze zich niet wilden kwetsen het strand op.
‘En wat gaan jullie dan precies doen?’ vroeg Van Schie. Het klonk een beetje schoolmeesterachtig.
‘We gaan een zandkasteel bouwen!’ zei Pia. ‘Of, eh, slootjes graven.’
‘Of een vuur maken,’ zei ik.
‘Ze komen toch achter ons aan,’ zei Poppy. ‘Die Pia is nieuwsgierig. Ze wil steeds exact weten wat ik doe. Ze neust in mijn kast en leest de brieven die ik krijg. En ze zit in mijn tasje en in mijn portemonnee: het zou me niet verbazen als ze er nog geld uithaalde ook!’
‘Je liegt het!’ riep Pia.
‘Waarom gaan jullie niet wat snoep kopen,’ zei Van Schie die natuurlijk geen ruzie gebruiken kon. Hij had zijn portemonnee uit zijn achterzak gehaald, viste er met duim en wijsvinger een muntstuk uit en gaf dat aan Pia.
‘En hij dan?’ vroeg Pia, op mij wijzend.
‘Het is genoeg om een heleboel drop te kopen,’ zei Van Schie. ‘Dan geef je hem ook maar wat.’
Maar hij haalde toch nog een dubbeltje te voorschijn. Het was duidelijk dat hij ons weg wilde hebben. In de verste verte was hier geen snoepwinkel te bekennen.
‘Hier kun je geen snoep kopen,’ zei Pia die haar hand uitstak om ook het dubbeltje aan te nemen.
‘Nee, daar moet je een eindje voor lopen,’ zei Van Schie. ‘Jullie hebben jonge benen.’
Het was alsof ik mijn vader hoorde praten.
‘Je wilt ons zeker weg hebben,’ zei Pia. ‘Ik vraag me toch af wat jullie gaan doen. Mogen we dat niet zien of zo?’
‘Zie je nou wel!’ zei Poppy. ‘Ik zei het je toch. Je moet haar gewoon een oplawaai verkopen. Geef haar een flinke tik, eerder gaat ze niet weg.’
‘Wat wij gaan doen?’ Joop was nu niet zo vriendelijk meer. ‘Daar heb jij nou net niks mee te maken. En nu wegwezen, hup!’ Hij wees naar iets denkbeeldigs in de blauwe lucht boven de duinen. Omdat hij die beweging nogal bruusk maakte viel zijn spuuglok voor zijn oog. Hij veegde het haar naar achteren, maar het viel meteen weer terug. De olie of vaseline die hij erin gesmeerd had werkte niet goed genoeg. Hij kreeg ook Pia niet zomaar weg.
‘Dat is in ieder geval niets voor kleine meisjes,’ zei hij.
‘Ik weet toch wel wat jullie gaan doen,’ zei Pia.
‘Ik weet alles precies.’
‘Weet je,’ zei Joop en zijn stem veranderde van toon. ‘Als je hier blijft spelen en ons niet achterna komt krijg je van mij iets moois.’
‘Wat dan?’ vroeg Pia.
‘Dat weet ik nog niet,’ zei Joop van Schie. ‘Daar moet ik natuurlijk eerst nog over nadenken.’
‘Ik geloof er geen steek van,’ zei Pia.
‘Erewoord!’ zei Van Schie en hij stak zijn arm uit alsof hij de Hitlergroet bracht.
‘Idioot!’ zei Poppy. ‘Geef haar toch gewoon een mep, dan verdwijnt ze wel. Het is zowat het enige dat helpt. Als ze bijvoorbeeld niet stil ligt in bed of ligt te neuriën dan geef ik haar gewoon een keiharde trap. Dan houdt ze wel op.’
‘Of ik schiet in de lach!’ lachte Pia.
Joop van Schie deed een paar passen in de richting van Pia, maar die schoot weg en bleef op een veilig afstandje staan. Ik betwijfelde echter of Van Schie haar niet te pakken had kunnen krijgen als hij een beetje zijn best had gedaan. Hij zag er wel wat stijfjes uit en hij was natuurlijk ook bang dat zijn haar in de war zou raken, maar Pia leek mij zwak en ze had haar zware, lange jas aan.
‘Je komt niet achter ons aan!’ riep hij en hief dreigend een vinger op.’
‘Ja, pa, nee, pa!’ pestte Pia. ‘En bedankt alvast voor het cadeau!’ Dat zei ze toen ze zag dat Joop van Schie en Poppy zich omdraaiden en mopperend hun weg vervolgden.
Poppy keek steeds om en wierp dan boze blikken naar ons en stak haar tong uit naar Pia.
Dat hield pas op toen Joop, die iets langer dan Poppy was, zijn arm om haar schouder sloeg en haar als het ware in een worggreep nam. Poppy worstelde om los
te komen, ontglipte en rende weg. Ze had echter van die schoenen die vrouwen aantrekken om zich het leven moeilijker te maken en Joop had haar natuurlijk zo te pakken. Ze lachte en liet zich verder gewillig meevoeren.
Pia en ik bleven een tijdje op het strand rondhangen. Pia vond een lange stok waar ze, terwijl ze het uiteinde in haar hand hield, overheen probeerde te springen, iets wat maar af en toe lukte. Ik vond een plankje met Merci erop geschilderd en ik gooide het in zee. We keken ook nog bij het paalhoofd waar het stonk en zacht siste. Er lagen stenen met uiterst groen zeegras eraan en eronder zaten kleine krabbetjes en ander schorremorrie dat Pia met haar stok op stang joeg.
Toen klonk er in de verte gerinkel van een fietsbel.
‘Nu zullen we het hebben!’ zei Pia. ‘Daar heb je Storimans.’ En inderdaad, daar kwam Storimans. Hij bewoog zich voort op een kolossale zwarte herenfiets. Hij stond op de pedalen, maar kwam toch maar langzaam naderbij, ook al omdat hij veel bochten maakte. Vlak bij ons maakte hij een scherpe bocht waardoor hij een diep spoor in het zand maakte, en kwam tot stilstand.
‘Hoi, Storimans!’ zei Pia.
‘Ben jij ook hier?’ vroeg Storimans die van zijn fiets afklom. ‘Waar is je zus?’
‘Waarom maak jij zoveel bochten?’ vroeg Pia.
‘Ik probeerde al rijdende met mijn fiets mijn naam in het zand te schrijven,’ zei Storimans. Dat vond ik wel een mooi idee: een rijwiel als schrijfgerei, een fiets als pen. Die Storimans had rare ideeën. Hij zag er heel anders uit dan die Joop van Schie. Joop van Schie was lang en blond en Storimans was donker en dik. De fiets was eigenlijk te groot voor hem. Het voertuig had dikke
zwarte banden en een zadel van dik leer met van achteren twee veren en van voren een grote krul. Behalve het zadel, dat bruin was, was de hele fiets zwart. We keken naar zijn fiets.
‘De fiets van je vader,’ zei Pia.
‘Ik heb hem geschilderd,’ zei Storimans. ‘Eerst heb ik hem goed afgeschuurd en toen gelakt.’
Dat was te zien. Overal zat lak. Zelfs de velgen, de spaken, en ook de koplamp waren voorzien van een laagje zwart.
‘Hij ziet er deftig uit,’ zei Pia. ‘Ik mag zeker wel achterop?’
‘Is Poppy niet op het strand?’ vroeg Storimans.
‘Jawel,’ zei Pia. ‘Maar ze is al een stel paalhoofden verder. Ze is met een knul, hoe heet hij ook al weer...’
‘Met Jan de Hullu, zeker,’ zei Storimans. Zijn gezicht betrok.
‘Nee, zo heet hij niet,’ zei Pia. ‘Volgens mij heet hij Van Schie of zoiets.’
‘Wat, is ze met die rare Van Schie mee?’ vroeg Storimans.
‘Je kunt de sporen volgen,’ zei Pia.
Storimans wilde wegrijden en zijn been over het zadel zwaaien, maar Pia hield hem tegen door aan de bagagedrager te trekken.
‘Je vergeet zeker iets?’ vroeg ze.
Storimans haalde een dubbeltje uit zijn broekzak en overhandigde dat aan Pia.
‘Ik had het zelf ook wel kunnen vinden,’ zei hij. ‘Die sporen zijn duidelijk genoeg.’
‘Jij wist niet dat ze naar dit strand zouden gaan,’ zei Pia. ‘En pas op voor die Van Schie, want hij slaat je zo tot moes.’
‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ zei Storimans
terwijl hij wegreed. Hij was klein, maar fors en ik wist nog zo net niet wie er zou winnen. Maar ik verbaasde mij er wel over dat die Poppy die twee jongens niet uit elkaar kon houden. Ze zagen er heel verschillend uit. Maar misschien was het ook alleen maar geklets van Pia geweest, hoewel...
‘Kom mee, er achteraan!’ riep Pia die haar stok als een speer wegwierp.