Wij renden achter Storimans aan.
Hij slingerde nu niet zo erg, hij reed zo hard mogelijk, maar hij had eerst moeite om met zijn zware vehikel tussen de palen en stenen van het paalhoofd door te komen en daarna raakte hij vast in het mulle zand. Hij was genoodzaakt af te stappen en begon zijn fiets door het zand te zeulen.
‘Kan het niet wat langzamer?’ vroeg ik hijgend aan Pia.
‘Ja, het kan nu wat langzamer,’ antwoordde ze, ‘want we moeten nog steeds op onze hoede zijn. Ze mogen ons niet zien, anders zijn we erbij. We kunnen beter hier vlakbij de duinen op gaan en dan aan de andere kant door de struiken sluipen om te zien wat ze aan het doen zijn.’
We klommen tegen de duinen op. Ze waren daar tamelijk steil en voor een groot stuk onbegroeid, zodat je het in een mum van tijd erg warm kreeg. Bij elke stap die je in het hete, mulle zand zette, zakte je wel weer een halve stap terug. Bovenaan groeide gelukkig wat helmgras. Als Storimans nu omgekeken had, had hij ons op
die kale helling vast en zeker gezien, maar hij was ingespannen bezig. Hij duwde met twee gestrekte armen tegen zijn stuur en keek meer naar de grond dan naar boven.
Pia werd blijkbaar ook moe. Net over de top gekomen, bleven we even tussen het lange gras en een paar duindoornstruikjes liggen. In de blauwe lucht boven ons dreef een langgerekt wolkje. Het had wat weg van een bootje dat eenzaam over een immense blauwe oceaan voer.
‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet,’ zei Pia. ‘Ik zie iets wits.’
‘Dat wolkje daar,’ zei ik. Ik hoefde niet te wijzen en vond het prettig dat we allebei naar hetzelfde keken.
‘Het zal wel gaan regenen,’ zei Pia.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik.
‘Dat wolkje is een slecht teken,’ zei ze en ze ging zitten om over het topje naar Storimans te kijken.
‘Hij heeft zijn fiets neergelegd,’ meldde ze. ‘Hij gaat te voet verder.’
In een struik vond ze een witte meeuweveer.
‘Zal ik de banden leeg laten lopen?’ vroeg ik.
‘Waarom zou je dat nou doen?’ vroeg Pia.
Dat wist ik ook niet precies. Ik vroeg het ook zomaar. Misschien wilde ik ook iets bijdragen aan hetgeen Pia bekokstoofde. Ze stak de meeuweveer in de knoop van haar strik en zei: ‘Als je goed kijkt zie je daar beneden tussen de struiken een bunker.’
Ik hoefde niet goed te kijken. Die bunker zag je zo. Het grijze, betonnen bouwwerk stak boven de struiken uit en hing een beetje scheef en leek daardoor op een soort duikboot die net onder wilde duiken in een zee van groen.
‘Daar zitten ze,’ zei Pia. ‘Volg mij.’
Ze begon naar beneden te kruipen. We gleden als slangen op onze buik over de grond. Dat ging gemakkelijk naar beneden over het losse duinzand. We kropen over gras met konijnekeuteltjes totdat we bij het struikgewas kwamen. Toen ging het een stuk langzamer, omdat aan veel van de struiken doornen zaten. Je had natuurlijk her en der die duindoorns met stekels van wel een vinger lang die dwars door je kleren heen staken. Ook voor de meidoorns moest je uitkijken. En verder had je vanzelfsprekend braamstruiken en wilde rozen met lange uitlopers die zich met hun ontelbare pinnetjes in je probeerden vast te haken. Pia had er blijkbaar niet zo veel last van. Ze had misschien nu wel een groot voordeel van haar dikke overjas, maar haar strik raakte ergens vast en ze verloor haar Indianenveer. Maar dat was niet zo erg: een Indiaan met blond haar bestond toch niet, dacht ik. Ik had er tenminste nog nooit over gelezen.
‘We zijn er nu bijna,’ zei ze.
Zij wist blijkbaar uitstekend de weg. Ze likte aan een vinger. Ze had zich waarschijnlijk geprikt bij het steeds weer opzij duwen van de struiken. Op haar gezicht had ze krassen, waar kleine druppeltjes bloed uit-

kwamen. Ik voelde zelf ook schrammen, en zweet dat erin prikte.
‘Het wordt slecht weer,’ zei ze.
Een joekel van een sprinkhaan vloog over ons heen. Over de meidoorns die nog in bloei stonden zoemden insekten en her en der snerpten opdringerige krekels.
‘De beesten zijn ongedurig,’ zei ze. ‘En dat betekent niet veel goeds.’
We namen nog een klein heuveltje en toen zagen wij hen. Voor ons lag een komvormig stuk zand dat bijna geheel omsloten werd door bosjes. Rechts lag de bunker met een krans van kogelgaten rond het donkere gat van de ingang. Links zat Poppy. Ze had haar schoenen uitgedaan en ze spreidde haar jas uit op het zand om erop te gaan liggen. Ze droeg een jurk van dunne stof met een woekering van felgekleurde, fantastische bloemen. Naast haar op het zand zat Joop van Schie. Hij had een sigaret uit een blinkend doosje gehaald waarmee hij een paar keer op het dekseltje tikte. Hij hield kennelijk van tikken, want later tikte hij nogal eens met zijn wijsvinger op de sigaret om er as af te kloppen. Of hij was zenuwachtig. Even zenuwachtig misschien als de insekten in de lucht.
Ik kreeg jeuk, zo ongeveer als Huck Finn wanneer hij met Tom Sawyer de neger Jim beloert, ik had het warm en voelde nog steeds geprik. Ik veronderstelde dat op verschillende plaatsen doornpuntjes in mijn vel staken. Er vlogen ergens een paar zwarte vogels op. Ze streken een eind verder weer neer en maakten zich onzichtbaar in het gebladerte. Verder gebeurde er niet veel. Ik wilde maar dat Van Schie zijn sigaretje snel op had. En ik hoopte dat hij dan niet aan een tweede zou beginnen. Wie weet hoeveel sigaretten hij in die sigarettenkoker had.
En Poppy lag lekker languit in de zon. Ze had haar
jurk wat naar boven geschoven, wiebelde wat met haar tenen en lag met haar handen onder haar hoofd met haar ogen dicht.
Dit kon wel uren duren, dacht ik. Ik zei niets, maar Pia deed toch: ‘St!’ en legde haar hand op mijn arm.
Er kwam meer beweging in Van Schie. Hij duwde eerst zijn sigaret uit in het zand en ging toen op één elleboog leunen. Dan verscheen de hand van Poppy in zijn nek. Ze trok hem over haar heen en even later lagen ze te wriemelen en elkaar te kussen. Op den duur lag Joop van Schie zowat helemaal op haar, maar of ze elkaar zoenden kon je op dat moment niet zien, omdat zijn haarlok ervoor hing. Pia stootte me wel honderd keer aan met haar elleboog en kneep me in mijn velletje.
Van Schie probeerde nu met zijn hand in het mouwtje van Poppy's jurk te kruipen. Het mouwtje was te smal.
‘Zie je dat?!’ siste Pia en ze porde me weer met haar puntige elleboog.
‘Ja, ik zie het heus wel,’ zei ik.
Het was alsof Joop van Schie dat gehoord had, want hij richtte zijn hoofd op en gooide met een bruuske beweging zijn lokje naar achteren. Poppy trok een kusmondje. Ze deed me denken aan een aquariumvisje dat een miereëitje opeet. Maar toen gooide zij opeens Van Schie van haar af, ging rechtop zitten en begon met haar hand door haar oog te wrijven. Ze zei iets tegen Van Schie wat wij niet konden verstaan en daarna trok zij met beide handen haar oog open en Van Schie keek er met veel belangstelling in. Dan haalde hij een zakdoek uit zijn zak en klopte die uit, gaf hem aan Poppy, en wilde haar toen omhelzen. Maar zij weerde hem af, trappelde wild met haar voeten.
‘TAKKETAKKETAKKETAKKETAKKETAKKE TAKKE TAK!’ klonk het toen opeens vanaf het dak van de bunker.
Daar stond wijdbeens, met aan de heup een stuk hout bij wijze van mitrailleur, Storimans. Hij riep: ‘En, Van Schie, gaat het lekker?’
Van Schie was op het harde geluid opgesprongen en riep: ‘Ach, duvel op jij!’ Hij liep naar de bunker toe en wilde zand naar Storimans gooien, maar hij kreeg het meeste zelf in zijn gezicht. Storimans deed steeds alsof hij hem neer wilde schieten en lachte hem uit.
‘Ik lust je rauw,’ riep hij.
Voor Poppy was zichtbaar de lol eraf. Ze had nog steeds iets in haar oog. Ze hing haar jas over haar ene schouder en nam haar schoenen in de hand en liep weg in de richting van een kleine opening in de struiken.
Joop van Schie stond even besluiteloos voor de bunker.
‘Nou, Jopie, kom maar op!’ riep Storimans uitdagend. Hij was in het voordeel, hij stond hoog en beschikte over een stevig stuk hout. Misschien dat Van Schie dat ook besefte, want hij liep achter Poppy aan die inmiddels tussen de struiken verdwenen was.
‘Pas maar op, ik krijg je nog wel!’ riep hij, en verdween ook.
Toen zagen we Storimans een prachtige sprong van de bunker af nemen en achter Van Schie aanrennen en even later hoorden we een hoop gekraak, gescheld en getier tussen de struiken.
Het leek me heel onaangenaam om tussen die stekels te moeten vechten. Later hoorden we niets meer en ze kwamen niet meer terug.
Toen we de plek inspecteerden vonden we de peuk van Van Schie terug en een kauwgomwikkel. We keken ook in de bunker, maar daar lag alleen puin, wat verbrande rommel en een bos prikkeldraad, waar een ijzeren buis in stak.