Pia sloeg met de ijzeren buis tegen de muren van de bunker en dat gaf vonken. Buiten mepte ze tegen de struiken, alsof die opeens haar aartsvijanden geworden waren: bladeren vlogen eraf, een tak knakte. Ik liep achter haar aan en merkte dat ze in zichzelf sprak, maar ik kon niet verstaan wat ze zei, eerst dacht ik dat ze de tafel van dertien liep te repeteren, maar het was natuurlijk iets heel anders. Ik kwam erachter dat haar humeur kon veranderen zoals ook het weer opeens veranderen kon.
Zoals het weer opeens veranderde: want we waren nog maar net een paar heuveltjes over of het was alsof in één keer de zon de nek werd afgesneden en boven ons hing een stevige, niet door de wind kapot te blazen wolk, blauwzwart als de inkt op school, nee zwart als de inkt op de ‘school met den bijbel’. Fantastisch zwart: de meeuwen staken er goed tegen af, ze maakten dat ze wegkwamen. Alles veranderde van kleur, de wind zorgde ervoor dat we onderkanten van bladeren te zien kregen, de wind blies bladeren, vlinders, bloesems en zand door de lucht.
De wind kwam van alle kanten en bracht regen mee. Je hoorde het geruis eerst over de struiken naderbij komen en daarna regende het ook bij ons. We liepen snel door, maar bleven staan toen we een bliksemflits zagen en er een knetterende donderslag klonk.
Pia keek door de buis naar de zwarte lucht. Het begon opeens meedogenloos te regenen.
‘Dat is gevaarlijk,’ zei ik. ‘De bliksem slaat bij voorkeur in ijzer.’ Dat had ik in Wie Wat Waar gelezen. Daarin stond dat bliksem elektriciteit was van wel 30.000 A en dat het erg gevaarlijk was. Ik wist niet wat A was, daarom zei ik niets over A.
‘En wat dan nog,’ zei Pia.
‘Dan slaat de bliksem zo door je arm in je buik en dan brand je hartstikke dood,’ zei ik. ‘Misschien kunnen we beter naar die bunker teruggaan.’
‘We kunnen ook onder mijn jas schuilen,’ zei ze. ‘Kom dan gaan we onder de struiken en dan gebruiken we mijn jas als tent!’
En dus kropen we onder de meidoornstruiken met de jas van Pia als tent over onze hoofden en we zaten dicht tegen elkaar aan en Pia lachte naar me en blies wat druppels regenwater van haar lip. We bleven verder zo zitten luisteren naar het geruis van de regen en de wind en misschien van de zee en we zagen hoe de regendruppels putjes maakten in het zand.
‘Ik denk dat ik weet wat je met die spijkers gaat doen,’ zei ze.
‘Wat dan?’ vroeg ik.
Maar ze antwoordde niet, misschien ook omdat de zon opeens hard begon te schijnen alsof er niets gebeurd was, maar de natuur was opeens een en al opgetogenheid en er klonken o-tjes en a-tjes en je merkte toen dat het geruis van de regen al het andere geluid had weggeveegd. Schoorvoetend begonnen allerlei dingen opnieuw. Zo leek ergens links in een vlierstruik een kapper te zitten die af en toe een plukje haar wegknipte en dan zijn tijd nam om met één oog te kijken wat voor moois hij nu weer had aangericht. Dan knipte hij weer een haarpuntje weg of hij knipte gewoon wat in de lucht, knipknip. Maar dat was onzin, er zat geen kapper in die vlierstruik. Het geknip kwam natuurlijk uit een vogelbekje.
Er was ook het geluid van een rits die open en dicht ging, maar ook dat was verbeelding: ook dat was een vogel die dat geluid maakte.
De lucht was vol kleine geluidjes: papiertjes die in snippertjes gescheurd werden, cellofaantjes die opge-
propt werden, stuntelig getik van een typiste die het nog leren moest, minuscule kleine piepjes, gesnerp, fluitjes, breinaaldengetik, morse. De vrolijkheid nam toe, we hoorden gefladder in de struiken. Het was alsof alles van gedachte veranderde. Insekten zoemden weer. De struiken drupten en de zon maakte van elke druppel een zon.
We waren gaan staan om te kijken en om in de zon te zijn.
‘Mijn jas is kledder,’ zei Pia.
‘Die is voorlopig nog niet droog,’ zei ik.
‘Dat hoeft ook niet,’ zei Pia. Ze legde de jas over haar armen en droeg hem het duin op alsof het een slapend kind was. Op de duintop spreidde ze het kledingstuk uit over een struik die een flink stuk doorboog.
De jas was zwaar en groot. Zo zonder jas zag Pia er mager en dun uit. Ze droeg een groen geruite jurk met korte mouwen en haar armen waren wit.
Blijkbaar merkte ze dat ik naar haar keek, ze vroeg: ‘En?’
‘Wat en?’ zei ik.
‘Wat vind je van me?’
‘Je bent dun zonder jas,’ zei ik. ‘Je hebt nog steeds dunne armen.’
Ze bekeek haar armen.
‘Ik heb veel dikkere,’ zei ik.
We vergeleken elkaars polsen, wat we al eens eerder gedaan hadden.
‘En ik heb veel grotere handen.’
We vergeleken elkaars handen door ze tegen elkaar te leggen. Mijn handen waren wel een paar centimeter groter.
‘Maar jij bent ook een jongen,’ zei ze. ‘Die moeten ook grotere handen hebben. En ze zijn grover.’
Ze pakte mijn hand en bekeek de handpalm en ze volgde met de vuile nagel van haar wijsvinger de lijnen.
‘Weet je dat ik hieruit kan lezen wat er met je gaat gebeuren?’ vroeg ze. ‘Kom laten we hier maar eens gaan zitten dan voorspel ik jouw toekomst, goed?’
‘En dan voorspel ik daarna jouw toekomst,’ zei ik.
‘Dat kan jij niet,’ zei ze.
‘Jij dan wel?’ zei ik.
‘Ja,’ zei ze. ‘Ik wel. Ik zei toch ook dat het zou gaan regenen. En toen ging het regenen.’
‘Misschien heb je wel naar de radio geluisterd,’ zei ik.
‘Niks daarvan!’ zei ze.
We gingen zitten in het zand op de top van het duin en Pia nam mijn hand en ze voorspelde mijn toekomst. Dat wil zeggen: ze wees plekjes aan op mijn handpalm, betastte mijn vingerkootjes, en keek naar de maantjes van mijn nagels.
‘Dit kussentje hier, bij je duim is de Venusberg,’ zei ze. ‘En dit is de Maanberg.’
En ze had het over Saturnus, driehoeken, en de drie polslijnen; ze vond verticale lijntjes op mijn wijsvinger, ze zocht naar eilandjes en sterretjes, en vond iets dat ze een Mystiek Kruis noemde. Aan de zijkant van mijn hand, wat ze de negatieve kant noemde, bestudeerde ze langdurig een paar groefjes die ze de huwelijkslijntjes noemde en waaraan ze kon zien of ik zou trouwen en of ik van meerdere meisjes tegelijk kon houden. Tenminste dat zei ze.
‘Deze lijn is de belangrijkste,’ zei ze en kraste met de nagel van haar wijsvinger langs een lijn in de palm van mijn hand. ‘Daaraan kan ik zien of je kort zal leven of lang, of je op reis gaat, of dood, al is dat ongeveer hetzelfde.’
Ze bekeek die levenslijn nauwkeurig.
‘En?’ vroeg ik. Omdat ze al de namen van de lijnen en lijntjes op mijn hand bleek te kennen, was ik wel
onder de indruk geraakt en ik was nu erg nieuwsgierig geworden naar wat ze bij mijn levenslijn ontdekt had. Aan haar gezicht te zien geloofde ze stellig in het handlezen. En ze had iets ontdekt waardoor ik nog benieuwder was.
‘Nou?’ drong ik aan.
‘Ik zeg het niet,’ zei Pia. ‘Het is beter als ik niets zeg. Het heeft met een reis te maken.’
‘Het is toch zeker mijn eigen hand!?’ zei ik.
‘Het is niet goed als ik het je vertel,’ zei ze. ‘A, je gelooft het toch niet en B, word je er even treurig van als ik.’
Ze zag er inderdaad treurig uit: haar mondhoeken wezen naar beneden en haar ogen stonden triest. Ze liet mijn hand los. Haar treurigheid werkte aanstekelijk en ik werd treurig zonder mijn toekomst te kennen.
De wolken die door de lucht schoven maakten donkere plekken op het water en op het strand. Een zwarte boot in de verte zorgde voor een nachtmerrie van zwarte rook. Het was allemaal even treurig opeens, maar het treurigst van al was Pia.
‘Nu moet ik jouw toekomst voorspellen,’ zei ik in de hoop haar wat op te kunnen vrolijken. Ze gaf me haar hand.
‘Ik ben lelijk, hè?’ vroeg ze.
‘Je hand is koud,’ zei ik.
‘Ik weet toch wel hoe het met me zal gaan,’ zei ze. ‘Er verandert toch niets. Ik ben een meisje en nog lelijk ook...’
‘Ik heb niet gezegd dat je lelijk was,’ zei ik. ‘Ik zei dat je dun was. Misschien moet je meer eten...’
‘Doorregen spek zeker,’ zei ze en ze glimlachte even. ‘Ik krijg nooit spek. Als we vlees hebben, eet mijn vader het allemaal op.’
Daardoor dacht ze aan thuis en aan naar huis gaan,
en ze zei: ‘Als ik thuis kom krijg ik er vast en zeker van langs.’
Op mijn vraag waarom zei ze: ‘Zomaar en omdat Poppy wel een of ander verhaal opgehangen zal hebben.’
In ieder geval kwam deze voorspelling uit. Toen we bij haar huis kwamen, vloog de deur open en haar vader stoof naar buiten: een spin die op zijn prooi toerent. Hij mepte en sloeg en schold en vloekte en tierde en trok Pia aan haar jas naar binnen. Maar terwijl zij klappen kreeg grijnsde ze naar mij, waarmee ze zeggen wilde: ‘Zie je wel!’
Bij mij thuis werd trouwens ook gemopperd. Mijn moeder mopperde omdat ik zo lang met die Pia was meegeweest en mijn vader was van mening dat ik niet al zijn schroeven en spijkers in de regen had moeten laten liggen. ‘Zo gaat alles roesten,’ zei hij.
‘En ik wil niet meer dat je met haar meegaat,’ zei mijn moeder.