Zand wil weleens helpen bij het droogmaken van kleren. Ik begon mij daarom heen en weer door het mulle zand te wentelen totdat ik eruitzag als een gepaneerde schnitzel. Ik klopte het aangekoekte zand van mijn kleren af waarna het rollen weer opnieuw kon beginnen.
Het bleek een vermoeiende bezigheid te zijn en een tijd bleef ik zo maar zitten. Ik begon een beetje te vermoeden, hoe Robinson Crusoe zich gevoeld moest hebben toen hij net was aangespoeld op zijn onbewoonde eiland.
De zee klotste voort, schoof rommel voor zich uit. In de verte, bij het water renden een paar stronkjes witlof heen en weer die bij nader inzien vogeltjes bleken te zijn, die een schril geluid maakten.
Ik overwoog naar een duintop te klimmen om me vandaar naar beneden te laten rollen. Sinds de hevige stormen in het begin van dat jaar bestonden de duinen aan de zeekant uit lange hellingen zuiver zand, waar je moeilijk tegenop kwam, maar waar je prachtig en met een grote snelheid vanaf rollen kon. Maar tot mijn verbazing zag ik op die top een figuurtje dat naar me

zwaaide en riep en even later met reuzensprongen van het duin naar beneden kwam.
‘Hoi!’ riep Pia, toen ze naast me neerplofte.
Ze deed haar schoenen van haar voeten en goot er zand uit.
‘Het ging niet,’ zei ik.
‘Dat zag ik,’ zei ze. ‘Ik zat daar’. Ze wuifde een beetje in de richting van waar ze gekomen was. ‘Had je geen zwembroek?’
‘Ik wilde helemaal niet zwemmen,’ zei ik.
Het water kwam nu snel op en grote stukken strand liepen zienderogen onder. De balken van het vlot waren een stuk naar links, maar ook meer naar het strand terug gedreven. De golven lichtten de stukken hout telkens even op. Dat hele vlot was één grote mislukking.
Ook Pia keek waarschijnlijk naar die balken.
‘We hebben thuis van die grote nieuwe spijkers,’ zei ze en ze gaf aan hoe groot die joekels van spijkers bij hun thuis wel niet waren.
Maar met nieuwe spijkers was het geval ook stukgegaan. Het vlot was niet stabiel en het zat krakkemikkig in elkaar. Zo'n vlot moest je natuurlijk met schroeven en bouten en stukken ijzer stevig ineenzetten.
‘We hadden best met ons tweeën een vlot kunnen maken,’ zei Pia.
‘En dan samen onder water verdwijnen zeker...’ zei ik.
De zon kwam snel, zzzz, als Superman tussen de wolken door, en was even geel als een zon op een kindertekening.
Misschien kwam het door de zon, of misschien had mijn opmerking haar op een idee gebracht.
Ze ging staan. Ze bewoog haar armen als vleugels, eerst langzaam en een beetje doorbuigend alsof haar handen slappe vleugeltippen waren die altijd net te laat
waren. De armen bewogen steeds vlugger en toen liep ze naar het water, maakte een soort hink-stap-sprongen over de vloedlijn met het zwarte wier, de plankjes, de witte stokjes en de flessen zonder briefjes, rende steeds vlugger, maakte een rondje over het natte zand, zwaaide naar me, misschien wuifde ze een kushandje naar me toe en toen rende ze het water in alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Haar knieën trok ze al rennend eerst hoog op, om over de golven te stappen. Daarna waadde ze, met haar armen zwaaiend, steeds dieper. Ze draaide zich om en zwaaide weer naar mij en wenkte me en riep: ‘Kijk!’
Pia hield haar handen met de palmen tegen elkaar voor haar borst, maar dat had niets met vroomheid te maken, want tjoep, daar ging haar hoofd al onder water en daar gingen haar benen omhoog, ze bewogen fietsend door de lucht. Ze verdween even geheel onder de wateroppervlakte. Ik besefte dat ze mij nadeed. Zo was ik natuurlijk ook kopje onder gegaan!
Proestend en lachend kwam ze uit het water stappen. Uit haar jas die er nu donkergrijs uitzag en die loodzwaar moest zijn, stroomde water.
‘Zo krijg je het hartstikke koud,’ zei ik.
Ze begon, zoals ik gedaan had, door het droge zand heen en weer te rollen. Ze werd er ook moe van. Ze bleef even zitten hijgen en lachte af en toe en waarschijnlijk zag ze de planken van het vlot weer, die kwamen steeds dichterbij en ze zei: ‘We kunnen een hutje bouwen...’
Maar ik stelde voor dat we een vuur zouden maken. Ik groef wat met mijn hand in mijn natte zakken en vond mijn brilleglaasje en ik vond ook het ballonnetje met de lucifers terug en het systeem werkte!

Met wat stro en dunne houtjes maakten we een vuur dat we steeds groter maakten en we moesten steeds verder lopen om brandhout te vinden. Op den duur droegen we zelfs de balken van mijn vlot naar het vuur. Van alles en nog wat dat we konden vinden gooiden we in de oranje vlammen, stukken van een oud scheepsluik, een oude stoel, planken, stokken, wier,...
Een boom van rook steeg op boven het strand. We zetten stokken met onze jassen en kousen bij het vuur om ze snel droog te krijgen.
Ik keek nog bij het water of mijn dobber met het haakje en het vistouw nog aanspoelde, maar ik zag niets. Pia zei dat we krabben en mossels konden eten en dus zocht ze tussen de stenen bij het paalhoofd krabben en mossels en gooide die in een oud blik dat ze gevonden had. Ze zette dit met water en beesten op een paar stenen in het vuur, maar de krabben wilden er steeds uitkruipen, zeker toen het water heter werd en Pia mepte ze met een stok terug. Een paar krabben vielen in het vuur en waren snel dood. Met haar stok zette ze de dode dieren op stenen in het vuur en daar verkleurden ze.
Uiteindelijk werden ze grijs en dan op een bepaald moment, wanneer de wind wat aanwakkerde, gebeurde er iets angstaanjagends. Het vuur had hen veranderd in krabben van as en met een klein zuchtje van de wind werden ze uit elkaar geblazen en verdwenen ze geheel in het niets.
‘Zie je dat?’ zei Pia. ‘De wind blaast de krabben weg.’
We vonden het verdomd griezelig. Je stelt je natuurlijk voor dat jijzelf die krab bent die op die steen zit en dan uit elkaar geblazen wordt, zodat er niets overblijft, zoiets...
We gingen nog meer krabben op stenen zetten en we merkten dat als je kwallen op hete stenen legde, ze hevig sisten en kookten en dat er niet veel meer overbleef dan een flinterdun vliesje.
Uit het blik borrelde langzaam een groen sop op.
‘Ze zijn gaar,’ zei Pia.
Met haar stok manoeuvreerde ze het blik uit het vuur waarbij er nogal wat krabben in het zand terecht kwamen. Die werden later allemaal door Pia verast.
We zogen wat aan krabbepootjes en we aten een paar van de mossels op, roze en oranje dotjes in een plechtstatig blauwe schelp. Ze waren heet en vooral zout.
‘Er had een ui bijgemoeten,’ zei Pia.
Later vond ze langs de vloedlijn een ui en ze ging uiensoep maken, maar daar aten we niet van. Pia proefde wel van de soep en ze vond hem te zout.
‘Haast even zout als de soep van mijn moeder,’ merkte ze op.
We bleven lang daar op dat strand... De zware jas van Pia viel een keertje in het vuur en stonk naar verbrande rommel, maar leek haast niet te drogen.
Laat in de namiddag reed ik met haar achterop mijn fiets langzaam naar huis.
‘Waar wou je dan naar toe?’ vroeg ze.
‘Weg,’ zei ik.