terug  begin 

[p. 178]

Koffer

Daarna zag ik Pia pas weer toen ik met mijn koffer bezig was. Het was een oude, bruine koffer van geperst papier. In het deksel zat een winkelhaakvormige scheur, alsof er ooit met kracht met een plank op geslagen was.

‘Dat is wel te maken,’ zei mijn vader. Hij gaf me een stukje pektouw. En ik herstelde de koffer. Aan weerskanten van de scheur, die alles bijeen wel een vijfentwintig centimeter lang was, prikte ik zorgvuldig met een priem gaatjes op één centimeter van elkaar en daar reeg ik het touwtje door. De koffer leek uiteindelijk op een buik met een keurig gehechte wond. De binnenkant van de koffer zag er ook verweerd en smerig uit. Het streepjespapier zat los, was hier en daar flink gescheurd en vertoonde bruine vochtvlekken.

‘Dat ziet er niet zo best uit,’ zei mijn vader. ‘Wie weet wat daar allemaal ingezeten heeft.’

De koffer deed ons denken aan een oud uitgewoond huis. Erin ruikt het muf, er lopen bruine strepen over het behang omdat de badkamer jarenlang gelekt heeft, zoiets.

‘Ik ga de binnenkant opnieuw beplakken,’ zei ik tegen mijn vader.

‘Een goed idee,’ zei hij. ‘Maar ik zou het niet met oude kranten doen. Die zijn niet stevig, ze worden gauw geel en de drukinkt geeft altijd af. Ik heb vroeger wel eens een kamertje met kranten behangen, maar dat gaat niet best, kranten scheuren vlug als je ze met plaksel insmeert.’

Hij haalde een restantje behang uit de gangkast. Ik maakte lijm van stijfsel en beplakte zowel het deksel, de bodem als de zijkanten met behang zodat de koffer een soort huis werd, waarin mijn kleren en spullen naar ge-

[p. 179]


illustratie

noegen zouden wonen. Niet helemaal met genoegen, want ik kon me indenken dat ze - zoals ik - ook niet van behang hielden. Ik vond het papier te ruw aanvoelen en het bezorgde me rillingen als ik het aanraakte. Maar er was geen ander geschikt papier.

Het behang zat niet erg mooi over de scheur en het pektouw. Het bobbelde daar en er zaten plooitjes die er eigenlijk niet behoorden te zitten, maar omdat je van het behang toch niets meer zag als je het deksel van de koffer sloot, vond ik het niet zo heel hinderlijk meer.

Ik had meer last van de grootte van de koffer. Als ik hem namelijk aan het handvat vasthield, zoals het eigenlijk hoorde, sleepte het gevaarte over de grond en de hoekijzers haakten in de keukenmat en de scharnieren maakten krasjes over het zeil in de kamer. Ik moest me helemaal naar links buigen wilde het bakbeest van de grond komen en dan bewoog hij als ik liep wiebelend

[p. 180]

over mijn rechterknie heen en weer. En dan was hij nog leeg! Vol zou het allemaal nog veel moeilijker gaan. En er moest heel wat in: kleren, lakens, gympjes, zeep, spiegeltje, tandenborstel, kam, tandpasta, een stropdas voor 's zondags, handdoeken, een servet, De lotgevallen van Huckleberry Finn voor in de trein, papier, potlood en pen.

Ik ging na de zomervakantie naar school, een dikke tweehonderd kilometer van huis. Ik verheugde me er erg op, verkeerde in een ongewone, opgewonden stemming en besteedde heel wat tijd aan de voorbereidingen van mijn reis. Dat was dan ook de reden waarom ik de koffer er piekfijn uit wilde laten zien. Ik nam hem mee naar buiten en zette hem in de bruine schoensmeer om hem te poetsen en te poetsen totdat hij glom als een tor in de zomerzon.

 

Toen ik daar ijverig met de poetsdoek bezig was verscheen opeens Pia bij ons hekje. Het was warm weer, maar ze droeg toch nog steeds haar overjas.

‘Hoi,’ zei ze.

‘Hoi,’ zei ik terug.

‘Ik heb gehoord dat je weggaat,’ zei ze.

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ga weg.’

‘Ik wist het wel,’ zei ze. ‘Ik zal je niet vaak meer zien.’

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik kom maar een paar keer per jaar thuis.’

Op dat moment zag ik pas dat ze een arm in een geblokte doek had. Ik zag ook nog wat verband en watten.

‘Dat is geopereerd,’ zei ze.

Ik keek, maar ik zag geen bloed. Ik vroeg wat ze gedaan had.

‘Ik wou een keer stiekem weg,’ zei ze, ‘en dus sprong ik uit het raam, maar ik bleef met mijn jas aan het

[p. 181]

pinnetje van het raam hangen en toen viel ik voorover op het stoepje en toen heb ik mijn wortel gebroken.’

Ik vond handwortel een raar woord, van zoiets had ik nog nooit gehoord. Ik keek, maar ik zag niets wat op een gebroken handwortel leek.

‘Doet het pijn?’ vroeg ik.

‘Nu niet meer,’ zei ze. ‘Maar toen wel, want mijn vader hoorde me vallen.’

Ik vroeg niet verder wat die vader van haar gedaan had, maar ik werd er niet goed van.

‘Jij boft,’ zei ze.

Ze keek hoe ik het deksel van de koffer nog eens oppoetste. Het was alsof het door het verhaal van Pia minder blonk.

‘Ik ga naar de huishoudschool,’ zei ze. ‘Ik moet leren breien en koken en zo, je weet wel.’

Ze was weer met het hekje bezig, maar toen het openzwaaide stapte ze eraf en kwam naar me toe.

‘Ik heb nog wat voor jou,’ zei ze en ze haalde uit haar jaszak een grote glazen knikker te voorschijn, en gaf mij die. ‘Die moet je goed bewaren,’ zei ze. ‘Als je hem dan later weer eens ziet dan denk je misschien nog wel eens aan mij.’

Het was een heldere, glazen stuiter. In het glas zaten kleine luchtbelletjes. De knikker schitterde in de zon en alle belletjes vertoonden glimlichtjes zodat ze op hun beurt ook weer op knikkertjes leken. Als je de knikker draaide dan draaiden de belletjes om elkaar heen als planeetjes in een klein heelal.

Die knikker van Pia was het eerste ding dat ik in mijn koffer deed.

 

Vlissingen, begin 1988

Wim Hofman

[p. 182]


illustratie

terug  begin