terug  begin  verder

Het treurspel van den moord op Prins Willem

Van Hogendorp's treurspel over den moord op den Prins van Oranje is in verschillende opzichten van historisch belang. Toen Samuel Coster's stichting, de Nederduitsche Academie, waarschijnlijk in de laatste week van September 1617 haar poort voor de schouwburgbezoekers opende, was dit treurspel het eerste dat daar werd vertoond, dadelijk na de inwijdingsallegorie van Suffridus Sixtinus. Den volgenden dag speelde men Hooft's Warenar. Deze eer aan Van Hogendorp en zijn treurspel te beurt gevallen heeft hem een plaats verzekerd in de Nederlandsche letterkundige geschiedenis. De keuze van zijn stuk voor de openingsplechtigheid had natuurlijk bijzondere reden 1). Nog voordat men met een werk van Hooft, den algemeen erkenden grootsten man uit eigen kring, toonde hoe men de latijnsche comedie in Nederlandsch gewaad wilde doen herleven, bracht men dit spel van een buitenstaander als een nationale daad. In de eerste plaats zeker was dit een uiting van vaderlandsche gezindheid, een hulde aan het prinselijk huis, de Prinses-weduwe, die nog in leven was, en Maurits; in zooverre berustte de keuze op den inhoud van het stuk. Daarnaast echter was het een erkenning van den dichter en van zijn werk, als een met de kunstrichting der Academie overeenstemmende niet Amsterdamsche uiting: een oor-

[p. XX]

spronkelijk historiespel over een Nederlandsche stof in klassieken vorm en stijl.

Dat, gelijk algemeen wordt aangenomen, Van Hogendorp's treurspel reeds eerder in den Haag gespeeld zou zijn, is niet waarschijnlijk. Van den Bergh's bericht daaromtrent 1) berust op een misverstand. In de Notulen en Resolutien van den Hove van Holland (Rijksarch. 's-Gravenh. II Hof 280) leest men fol. 1 onder 16 Juni 1617: ‘Ordonnantie op Halling voor Gisbert van Hogendorp van tpresenteren 2) van syn treurspel van de doot van de prince van Orangie 12£’, terwijl in de Reeckeninge van den rentmeester Johan Halling (Rijksarch. Hof Diverse Rek. 2759) op fol, 79 vo nog uitvoeriger is verantwoord:

‘Betaelt aen Gysbrecht van Hoogendorp, Adelborst onder de Guarde van zijn Excie de somme van twaelff ponden, hem vereert voor seker zyn boeck, genaemt Treurspel vande Moort, begaen aen den Heere Prince van Orangien Hor Mem. blyckende by de Requeste ende Ordie in date den 16 Juni 1617 ende quit.’ In aansluiting hierbij worde nog vermeld dat ook door de Staten Generaal bij Resolutie van 22 Juni 1617 aan Ghysbert van Hogendorp werd ‘toegeleit een pont vlems meer als hij gehadt heeft van den Raedt van State voor de exemplaren die hy haere Ho. Mo. heeft gepresenteert van de tragedie by hem gemaeckt van de moort van syne princelycke Exc. hoochloffelycker memorien’ 3). Het is duidelijk dat hier steeds sprake is alleen van het aanbieden van exemplaren van het gedrukte treurspel, waarvoor den auteur door de verschillende staatslichamen vereeringen in geld worden geschonken.

Op het tooneel der Nederduitsche Academie is het spel van de Moordt, waarschijnlijk althans in den aanvang, nog vaker vertoond. Nauwkeurige opgaven daarover zijn echter niet bewaard. Op den in 1638 geopenden Amsterdamschen Schouwburg werd het in 1639 eenige malen gespeeld, en

[p. XXI]

wel 22, 24 en 30 Juni en 11 Juli 1), hetgeen in verhouding tot andere stukken op een slechts zeer matig succes wijst; van hetzelfde jaar dateert dan ook de herdruk van het treurspel. Zou er eenig verband bestaan tusschen deze reprise en het overlijden van den kolonel Van Hogendorp in Februari van datzelfde jaar 1639?

De twee drukken van het treurspel zijn geheel gelijk; de tweede is niets dan een herdruk; in onze uitgave is de tekst van den eersten druk gevolgd; van enkele kleine afwijkingen van den herdruk is in de aanteekeningen melding gemaakt. Op het titelblad is het woord Trverspel van den eersten druk geworden tot Treur-spel; ook overigens zijn er verschillen in spelling. De titelgravure werd in 1639 nauwkeurig nagebootst. Was de eerste druk bij den gewonen uitgever der Academie verschenen: 't Amsterdam, Voor Cornelis van der Plasse, Boeckvercooper, wonende aen de Beurs. 1617 [volgens de laatste bladzijde Ghedruckt by Paulus van Ravesteyn], de latere uitgave is volgens den titel: t'Amstelredam Gedruckt by Nicolaes van Ravesteyn. Voor Dirck Cornelisz Hout-haeck, Boeckverkooper, op de Nieuwe zijds Kolck, Anno 1639. Bij Houthaeck verschenen toen geregeld de op den schouwburg vertoonde stukken.

De lofdichten voor het treurspel zijn van Samuel Coster, Reinier Telle, Abraham de Koning, alle bekende tijdgenooten, en een onbekende met de initialen I.A.

1)Wellicht had Hooft zijn Baeto, voltooid 29 Mei 1617, voor deze openingsplechtigheid bedoeld. Waarom echter de opvoering van dit stuk, in verband met de politieke tijdsomstandigheden ter inleiding van de Academie minder raadzaam kon lijken, is juist uitvoerig toegelicht door J.W. Muller in Tijdschr. v. Ned. taal- en lett. 50, vooral blz. 251 v.
1)L. Ph. C. van den Bergh, 's Gravenhaagsche bijzonderheden (1857) I, 24.
2)Van den Bergh las hier ‘prepareren’, waaruit zijn misvatting moet zijn voortgekomen.
3)Reeds vroeger medegedeeld door J.J. Dodt van Flensburg, Archief voor Kerkel. en wereldsche geschiedenis VII, 10.
1)Volgens het door J.A. Worp uitgewerkte repertoire van den schouwburg gedurende de jaren 1638-1665, in handschrift aanwezig in de Bibliotheek van de Maatsch. d. Ned. Lett. te Leiden (nr. 1730: 1), waar het stuk na deze data niet meer voor komt. De bewering van Worp zelf (De invloed van Seneca's treurspelen enz. blz. 137) dat het zich ‘meer den veertig jaren op het tooneel staande’ hield vind ik door niets gestaafd.
terug  begin  verder