Refereyn op 't blasoen
25
Ghy die 't Gesterde blaeu geleyt en om doet zweven.
Die ware Neptun hout den vochten toom in handt/
26
Die met een ooch geblick de vaste Aerd' doet beven/
27
Den teugel lost en strengt van
AEools
dul gesant.
Verheft ô God mijn Ziel/ verklaert mijn duf verstant/
30
Op dat ick eygen schrijf/ ô Vader/ 'trechte wesen
30
Van 't heylich schynend' licht/ 'twelck heeft u Soon omrandt/
(O wonder ongemeen! mirakel uytgelesen)
Dat Thabors rotse steyl de sidd'ren/ en vol vresen
33
D'Apostels maeckten zwack/ die bleeckich vielen neer/
35
Dat wan als donders galm; de stemme Gods riep: desen
35
Is mijn wel-lieven Soon/ mijn wel-geval en eer/
Hoort hem, ô Menschen, 't is u Salichmaeckr' en Heer
.
Den Vader wilden doen volkomentlijck verklaren
De heerlijckheyt sijns Soons het Aertrijck onbekent/
40
Elias lang te voor ten Hemel op-gevaren/
[p. 3]
En Mozes synen Knecht omwolckt hy neerder sent;
Hy blinckende geglanst met kleding ongeschent/
Als 's Hemels Bruyd'gom schoon op 's Bruylofs zael getreden;
(O wonder! 't wonder selfs) D'Apost'len ongewent
45
Haer Meester zo te zien verheerelijckt in kleden/
Die suyselden verblint door Christi Goddelijckheden/
Want kenden noch niet recht de waerheyt van sijn leer:
Maer zalich die wel vast zijn delen van sijn leden/
Want dit's des Vaders stem tot 's Aertrijcx veyl bekeer:
49
50
Hoort hem, ô Menschen 't is u Salichmakr' en Heer
.
Gelijck een die te hooch ten Hemel is verheven/
Staet op een steyle klip/ oft toren spits gebout/
52
Nu zwymelt al verschrickt/ en kan sich zelven geven
Geen vastigheyt/ daer hy sijn voeten op betrout.
55
D'Apostelen even zo/ door 't Godd'lijck licht verstout/
55
Die wisten nau het geen sy deden ofte spraken:
Doch/ Petrus sprack: 't Is goet te zijn alhier; En sout
57
Niet nodich zijn/ ô Heer/ drie hutten hier te maken:
Want warde al verdwaest/ dat onder d'Aertsche daken
59
60
Dees eygen Knechten Gods nu wilden rusten weer:
Maer ô! die eenmael sal des Hemels vreuchden smaken
Door Christi milde jonst/ dien wenscht de Aerd' niet meer/
62
Want Christ, ô Menschen, is u Salichmakr' en Heer
.
Den berch ons eygen toocht des Hemels hoge woning/
64
65
En Christus blincken schoon/ der vromer Bruylofts kleydt/
Der twe Propheten schijn/ der deugden rijcke loning/
Die Godt sijn knechten goet/ zo heerlijck heeft bereyt;
D'Apostels zwackheyt teer/ des vleesch verderventheyt:
Maer boven al dit toocht ons d'heerlijckheyt ons Heeren/
69
[p. 4]
70
Gelijck als wan hy komt/ te rechten met bescheyt/
70
Daerom hy vreugdich oock vol Goddelijcker eeren
Aldaer
Raepten geneucht
, want hy naer Gods begeren
Sach 'tvoorbeelt van sijn macht en heerlijckheden teer.
73
O over-wijs geheym! te diep om te gronderen:
74
75
Mirakel aldergrootst! dat ons gebiet zo zeer
Hem t'horen, want hy is ons Salichmakr' en Heer
.
Wy Rapen Genevcht.
26
Die ware Neptun
, die als de ware God der zee.
27
met een ooch geblick
, met een blik Uwer oogen.
30
eygen schrijf
, juist beschrijf.
33
de sidd'ren
, deed sidderen.
35
Dat wan als donders galm
, dat een klank als van den donder aannam.
49
veyl bekeer
, veilige bekeering.
52
toren spits gebout
, een slank gebouwde toren.
55
verstout
, overweldigd.
57
sout
, zou het.
59
Want warde al dwaest
, want het zou een dwaze verwarring zijn.
62
dien wenscht
, hij wenscht.
64
eygen toocht
, juist vertoont.
69
boven al dit toocht ons
, bovenal toont ons dit.
70
wan
, wanneer;
te rechten
, om recht te spreken.
73
Hij zag vooruit de macht en de zachtmoedige goddelijke heerlijkheid die hij bij het laatste gerecht zal bezitten.
74
geheym
, orakel.