terug  begin  verderprepost
[p. 40]

Syntaxis

Naamvallen

De verschillende vormen van een woord die afhankelijk zijn van de functie van dat woord in het grotere geheel (woordgroep of zin), noemen we de naamvallen. Zo kan b.v. een nabepaling bij een zn in de 2e nv. staan:

die sceppenesse des dierkens (‘het uiterlijk van het diertje’) (9),

en het l.v. in de 4e nv.:

Neempt eenen goeden carper (5).

Natuurlijk kunnen deze twee mogelijkheden ook gecombineerd voorkomen. Een nabepaling in de 2e nv. kan deel uitmaken van een l.v. (in de 4e nv.). Zo lezen we in tekst 9:

(hi bat) dat si hem woude toenen die sceppenesse des dierkens.

Het gedeelte die - dierkens is het l.v.; de woorden die en sceppenesse staan dan ook in de 4e nv., maar de nabepaling hierbij (des dierkens) staat in de 2e nv.

Het is gemakkelijk als je weet in welke naamval de verschillende zinsdelen en delen van zinsdelen gewoonlijk staan. Daarom nu het volgende overzicht.

De nominatief of 1e naamval

In deze naamval worden uitgedrukt:

1Het onderwerp:
Die coninc vraecht (7).
2Het nw. deel van het gezegde:
eist een kerselsteen (‘is het een kersepit’) (30).
3De aangesproken persoon:
Du oude geck, God moet bederven u lijf (22).

Hierbij twee opmerkingen.

aOok in een elliptische zin (zin of bijzin zonder pv.) staat dat deel dat als ond. beschouwd kan worden in de 1e naamval:
rechte alse een iagere. zegeurijt die helt reet (‘Zegevrijt, de held, reed precies zo als een jager (reed)’) (24).
bEen enkele maal vertoont het ond. een 4e nv., een verschijnsel dat we in sommige dialecten nog aantreffen:
An sinen hals hinc enen incthoren (Stoett, 158).

De genitief of 2e naamval

In deze naamval kunnen voorkomen:

1Het eerste object (zie voor deze term, blz. 50) bij een werkwoord of een werkw. uitdrukking. Welke werkwoorden in het mnl. een gen. object bij zich kunnen hebben, kun je vinden op blz. 52/53. In het nnl. treffen we in deze gevallen vaak een voorzetselvoorwerp aan (soms een l.v.):
[p. 41]
Dat si mire hulpen twint begaren (‘dat zij mijn hulp helemaal niet begeren/dat zij helemaal geen prijs stellen op mijn hulp’) (10),
Ene scone maget, dier hi nam goem (‘een knap meisje, dat hij bekeek’) (12),
so waren sijs blide ende dankdens (dankden des) Gode (‘toen waren ze er blij om en dankten God ervoor’) (21),
God haetse allen die des plegen (‘God haat allen die dat doen’) (26).
2Een bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord dat als nw. deel van het gezegde fungeert (of kan fungeren). Je zou deze bepaling ook een eerste object bij een nw. gez. kunnen noemen. In het nnl. treffen we hier vaak een voorzetselvoorwerp of een oorzakelijk voorwerp aan:
Si was herde blide das (‘Zij was er erg blij om’) (4),
gi wilt mins quite wesen (‘u wilt me kwijt’) (14),
Sijn aenscijn was eens voets breet (‘Zijn gezicht was een voet breed’) (Stoett, 176).
3Een bw. bep. van richting (vgl. nnl. ‘zijns weegs gaan’):
Ende varetse daer sire vaerde (‘En nam haar toen mee op zijn tocht/En ging toen met haar zijns weegs’) (14).
4Een bw. bep. van tijd, met name die bepalingen die een tijdstip of een herhaling aangeven (vgl. nnl. ‘jaarlijks’):
Dar al de jueden van der stat Elcs iaers hilden hare parlement (‘Waar alle joden van de stad ieder jaar hun vergadering hielden’) (31),
Des derden of des vierden dages wert si vanden visschers gevonden (32).
5Een bw. bep. van omstandigheid of een pred. toev. bij een object (vgl. nnl. ‘blootshoofds’):
gebogens knyes (‘met gebogen knieën’) (Stoett, 179),
sommighe dye willen en siens nyet (‘sommige willen hem niet gekookt (lett.: kokend)’) (5).
6Het nw. deel van het gez. als hiermee een bezitsrelatie wordt uitgedrukt. (vgl. nnl. ‘het horloge is van mij/het mijne’):
dit huis (...) sel bliuen altoes des scraven van hollant (‘dit huis zal altijd van de graaf van Holland blijven’) (17).
7Een aanvulling bij een interjectie (vn of zn-groep) kan als een genitief van oorzaak worden beschouwd:
Wach arme deser groter noot (‘Ach, wat een treurige toestand’) (Stoett, 177),
Fi dijns (‘Foei, jij’) (Stoett, 177).
8Een voorbepaling in een zn-groep (vgl. nnl. ‘Piets jas’):
des sceepers scape (‘de schapen van de herder’) (9),
biderschepenen wille (‘volgens de wil van de schepenen’) (27).
[p. 42]
9Een nabepaling in een zn-groep (vgl. nnl. ‘de heer des huizes’):
die sceppenesse des dierkens (‘het uiterlijk van het diertje’) (9).
Als het om een bepaling van specificatie gaat, kan het lidwoord achterwege blijven (vgl. nnl. ‘een kopje koffie, een poosje geduld’). We spreken dan van een partitieve genitief:
een half ure tyts (32).
10Een partitieve genitief treffen we ook aan als nabepaling in een voornaamwoordgroep:
wat souts (‘een beetje zout’) (5),
of een telwoordgroep:
so vele ghelts (19).
Enigszins verzwakt is de betekenis van des in de uitdrukking:
wats ( = wat des) gesciet (lett.: ‘wat daarvan (of: “met betrekking daartoe”) gebeurt’) (14). We vertalen deze groep meestal met: ‘wat er ook gebeurt’.
Tot slot nog twee opmerkingen:
aDoordat het vn niet vaak een partitieve genitief bij zich had:
Omdat st niet goets (‘niets goeds’) ne deden (Stoett, 161),
werd het eerste object in een ontkennende zin (met niet als bw) ook vaak in de gen. uitgedrukt. Soms is het moeilijk uit te maken of je te maken hebt met: 1 een vn niet vergezeld van een nabepaling in de genitief; of 2 een bw niet in een zin met een genitiefobject. Zo kun je:
Si en wildens (wilden des) niet doen (Stoett, 161)
opvatten als: 1 ze wilden niets daarvan doen; of 2 ze wilden dat niet doen.
bDe genitief des (in enclisis -es/-s) doet vaak dienst als voorlopig object. Het eigenlijke object staat dan meestal in de vorm van een bijzin (waaraan natuurlijk geen naamval is te zien):
Niemen ne hebbe des waen Dat ie die materie vensede (‘Niemand moet (dat) denken, dat ik de stof zelf verzonnen heb’) (1).

De datief of 3e naamval

Hierin staan:

1Het tweede object bij een werkwoordelijk gezegde. Welke groepen werkwoorden een tweede object bij zich kunnen krijgen, kun je vinden op blz. 55-57:
mijn here heift v gegeuen scone dinc (22),
ende dankdens Gode (‘en dankten God ervoor’) (21),
na dien dat den schepenen guod dinct (‘voor zover het de schepenen goed dunkt’) (27).
2Een bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord dat als nw. deel van het gezegde fungeert (of kan fungeren). Je zou dit ook een tweede object bij een naamwoordelijk gezegde kunnen noemen:
Het geviel dat een (...) wyf den ioden vriendelic wart (‘Het gebeurde dat een vrouw vriendelijk werd tegen de joden’) (32).
[p. 43]
3Een groep die door een voorzetsel wordt voorafgegaan. (Het vz en niet de syntactische functie van de groep is hier dus verantwoordelijk voor de gebruikte naamval.) Veel voorzetsels kunnen zowel door een datief als door een accusatief gevolgd worden, zo b.v.: in, naer, overmits, eer, op. Een aantal echter wordt bijna altijd door een datief gevolgd. De meest voorkomende zijn: beneden, bi, binnen, buten, met, te, ute en van.
de text van der ewangelien (21),
Daar hi stont bi den viere (6).
4Het ‘onderwerp’ in een infinitiefgroep die afhangt van doen of laten (vgl. nnl. ‘ik laat hem de vloer dweilen’):
Alse enech dinc valt in die oren (...) so salmen doen ademen enegen vrient van dien zieken in die ore daert in es (30).
5Het ‘onderwerp’ in een infinitiefgroep die als object fungeert bij horen of sien:
Die coninc horde seggen sinen ghenoten (...) (Stoett, 181).
6Een datief van bezit (vgl. nnl. ‘Het zweet stond hem op het voorhoofd’) komt ook in het mnl. voor:
dat v dogen souden vergaen (‘dat uw ogen het zouden begeven’) (22).
so dat dat bloet dat hem dicken op de cleder uallet (...) demín schinen moge (‘zodat het bloed dat hen dikwijls op de kleren valt, des te minder zal opvallen’) (27).
7Evenals een ethische datief (vgl. nnl. ‘Het is me wat moois’):
Ghi selt mi saterdaghe gaen ter kerken (Stoett, 188).

Tot deze groep zouden ook gerekend kunnen worden die gevallen waarbij een datier van een pers. vn gevolgd wordt door liever (of: eer):
gi sweget mi liever (‘Ik had liever dat u zweeg’) (MNW: liever),
Het mochte u liever sijn bleven (‘U mocht wel willen dat u het niet gedaan had’) (MNW: liever).
8Een enkele keer staat een bw. bep. van tijd, plaats of omstandigheid in de datief (zonder voorzetsel dus):
den derden daghen (‘op de derde dag’) (Stoett, 191).

De accusatief of 4e naamval

Dit is de vorm voor:

1Het eerste object (l.v.) bij een werkwoordelijk gezegde:
Dese twe wonnen een cnapelijn (‘Deze twee kregen een zoontje’) (31),
den bere hi ontbant (‘hij maakte de beer los’) (24),
Nemt witten donderbaer (‘Neem witte huislook’) (11).
2Een bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord dat als nw. deel van het gezegde fungeert. Je zou hier ook van een eerste object bij een nw. gezegde kunnen spreken. Gewoonlijk staat een dergelijke bepaling/object
[p. 44]
in de genitief (zie aldaar). Slechts een enkele keer wordt de accusatief gebruikt. Er is dan meestal sprake van een prijs of gewicht:
soe ware mi waerd wel neghene grote (‘ze (de stof) was mij wel negen schellingen (per el) waard’) (19).
3Een groep die door een voorzetsel wordt voorafgegaan (zie De datief, punt 3):
Alse enech dinc valt in die oren (30),
hi viel op sine knyen (9).
4Verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen, zoals die van plaats (met name wanneer er van een af te leggen of afgelegde afstand sprake is) en van tijd (met name die van tijdsduur):
Dus es hi ene mile gereden (20),
Diene souden voeren sciere Al die zee (‘Die hem snel de zee over zouden brengen’) (18),
Ende .lx. daghe (...) So draghet die teve (2).

Zinsdelen

Het onderwerp

Het onderwerp in een mnl. zin kan zijn:

1Een zn(-groep), soms voorzien van een bijstelling of een predicatieve toevoeging:
Die coninc vraecht (...) (7),
Doe sprac lodewijc die coninc (...) (22),
Doe quamen tes sconinx houe Alle die diere groet ende cleene (Reinaert, regel 48/49).
Soms is de groep gesplitst:
Om ene andre sake es dit werc oc swar dat ic ondersta (21),
Die materie vergaderde recht Van Coelne broeder Alebrecht (‘broeder Albrecht uit Keulen’) (1). (Zie blz. 87).
Het ond. wordt soms hervat in een voornaamwoord:
Dese iuede hi hadde (...) (10),
Florens Grave van hollant die groet die scepene (...) (17).
2Een vn (ic, dat, niemen, sulc, enech, enz.), soms in enclitische vorm (seidi = seide hi) of door enclisis opgegaan in een ander woord (dat = dat het).
Een vn kan evenals een zn van nabepalingen vergezeld zijn:
hier es sulc van .xv. iaren (sulc = iemand) (22),
is yn enighen boeken yet onrechtes of dat schijnt loghenachtich (‘iets dat onjuist is of dat onwaar lijkt’) (3),
of van bijstellingen. Drie bijstellingen bij één vn treffen we aan in:
Jc jan here van arkele ridder make cont (...) (17).
Een vn kan hervat worden in een zn-groep of een bijzin:
dan (= dat en) ware niet goet Dat wi vochten (14).
[p. 45]
3Een tw(-groep):
Dese twe wonnen een cnapelijn (‘Deze twee (mensen) kregen een zoontje’) (31),
twee vanden ouden worchden hem onder een (‘pleegden zelfmoord’) (32),
Want an riden leeght hen vele (‘Er hangt voor hen veel af van paardrijden’) (28).
4Een bijzin:
di werd nog wel in inne wat waar ofte logene es (‘Het wordt jou nog wel duidelijk wat waarheid en wat leugen is’) (6).
Een bijzin kan worden hervat in een vn:
we (‘wie’) dien anderen tosegede, dat hy geen goet man en were,
dy vorluset (‘verliest/verbeurt’) V pond (25).
5Een bijvoeglijk naamwoord fungeert als onderwerp in:
Nochtans so es beter quaet dan noch arger (30).
6En soms kan zelfs een hoofdzin als onderwerp fungeren:
Het scient wel gi mint mi clene (14).
Als plaatsonderwerp of aankondiger van het eigenlijke onderwerp wordt het gebruikt (in nnl. vaak ‘er’):
Het lach een wijf van frisschen zinne (8),
het sagenne doe comen. des coninx helde gemeet (‘De opgewekte helden van de koning zagen hem toen aankomen’) (24),
Men leest dat (= dat het) was een scolierken, die een lesse soude singhen op enen kersnacht (9).
Het voorlopig onderwerp is eveneens het:
Hets recht (...) Dat hi ontgaet hare beten (2).

Het onderwerp ontbreekt:

1In zinnen met een gebiedende wijs (als in nnl.):
gaet hier beneden (10).
2Hierbij horen ook zinnen met een 1e of 3e persoon gebiedende wijs, die de betekenis van een aansporing bevatten (adhortatieve zinnen):
Ende daerna so hale sinen adem zere in (‘En laat hij daarna diep inademen’) (30).
3Door samentrekking (als in nnl.):
Die iode namen dat maechdeken (...) ende leident (...) (32).
4In zinnen waar het ond. uit de context moet worden afgeleid. Deze voor ons gevoel ‘foute samentrekkingen’ komen in mnl. teksten meer voor dan in nnl. teksten:
Dit was Reinaerde ombequame ende verbalch hem (‘Dit was Reinaart onaangenaam en hij werd boos’) (Stoett, 5h).
[p. 46]
Daar deen biden andren lach Ende spraken tegader hemelike (‘terwijl de een bij de ander (in bed) lag en ze stilletjes samen aan het praten waren’) (31).
In de volgende zinnen is het ond. in het eerste deel een onbepaalde zn-groep; in het tweede deel moet je deze groep, maar nu wel bepaald, als onderwerp aannemen:
Dat (...) Een coninc was, ende hiet Briant (12),
Daer woende een iuede ende hiet ysaac (31).
De onbepaalde zn-groep kan ook (deel van) een ander zinsdeel dan het onderwerp zijn:
Ende hi voer jagen op enen tijt In een wout was herde wijt (12).
5Bij de werkwoorden noemen, seggen, spreken en nog enkele, vooral na ende:
tSwaert was van sneden goed ende segge u dat inwaert woet (‘Het zwaard was scherp van snede en ik zeg u dat het het lichaam binnendrong’) (Stoett, 5e).
6Als er geen ond. bij de genoemde handeling (of het gebeuren) valt aan te wijzen:
Also was reynaerde ghesciet (‘Zo was het met Reinaart gegaan’) (Reinaert, regel 54).
7In zinnen waarin het ww (of de werkw. uitdrukking) onpersoonlijk gebruikt is. Evenals in zinnen van type 6 valt ook hier geen onderwerp aan te wijzen. Onpersoonlijk gebruikte werkwoorden komen voor op drie gebieden:
adat van de natuurverschijnselen: Hier verschijnt meestal het als plaatsonderwerp (loos ond.) en objecten komen slechts sporadisch voor:
Het reghende seere,
Op eenre nacht doet snee snuwede (...) (‘toen het sneeuw sneeuwde’).
bdat van het ‘fatsoen’ (vgl. nnl. ‘het past mij niet dat te weigeren, het komt hen toe’): Hier is altijd een tweede object in de datief, soms ook een plaatsond. (loos ond.), een voorlopig onderwerp of een echt onderwerp:
alse iageren geteme (‘zoals het jagers betaamt’) (24).
cdat van de menselijke gewaarwordingen (behaghen, ghedenken, lusten, tornen, dromen, wonderen, enz.): Deze groep heeft geen ond., een persoonlijk object (degene die de gewaarwording ondergaat) in de datief (soms accusatief) en een zakelijk object (datgene wat de werking veroorzaakt) in de genitief. Je zou
mi wondert des
eigenlijk moeten omschrijven met ‘er komen daardoor/daarover gevoelens van verwondering bij mij boven’. In
Des coninx ghedochte hare cleene
denkt zij dus over de koning. Het zakelijk object kan ook verschijnen in de vorm van een bijzin, een infinitiefgroep of een groep die met een voorzetsel (vaak van) begint:
mi gruwelt dat ic ye mensche werd,
mi gedinct van enen vremden here.
[p. 47]
Soms verschijnt er een voorlopig genitiefobject:
Lieve kint, dies gedincket mi, dat drie coninghe omme di quamen van verren di sien (‘dit heugt mij, dat...).
Een voorbeeld met alleen een persoonlijk object:
so wonderde hen allen sere (21).
Bijna al deze werkwoorden komen in het mnl. ook wel met een ond. voor, waarbij òf het zakelijk object òf het persoonlijk object als onderwerp fungeerde:
Dat si souden sijns gedinken in haer gebede (‘Dat zij hem in hun gebeden zouden gedenken’).
Ghi hebt gedaen, dat mach mi rouwen (‘Gij hebt (iets) gedaan waarover ik verdrietig ben’).
Het persoonlijk gebruik heeft het op den duur gewonnen van het onpersoonlijk gebruik; analogie met andere zinstypes en het verdwijnen van de naamvalsuitgangen zullen hiervan wel de belangrijkste oorzaken zijn.

Het werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit een pv., al dan niet aangevuld met een volt. deelw. en/of een of meer infinitieven. Als het gezegde bestaat uit meer dan één werkwoordsvorm, zal er bijna altijd sprake zijn van een van de volgende hulpwerkwoorden:

1van tijd: hebben, sijn en sullen:
du heves evele misdaan (6),
Yoen (...) es ter zeewaert gevaren (18),
(Ic grute alle deghene) die dit lesen selen ende hoeren lesen (21).
In het laatste voorbeeld is het tweede deel van de nevenschikkende groep lesen ende hoeren lesen afgesplitst en na het hww van tijd (selen = zullen) geplaatst. (Ook in tekst 17 treffen we een dergelijke ‘formule’ aan.)
In zinnen met het zww hebben kan naast het eerste object (l.v.) een bep.v.gest. voorkomen in de vorm van een volt.deelw. Verwarring met een voltooide tijd is dan mogelijk.
Si hevet hem ghemint
kan twee betekenissen hebben: a ‘ze heeft hem bemind (maar dat is nu voorbij)’, en b ‘ze houdt van hem/ze heeft hem lief’. De context moet beslissen voor welke betekenis je kiest:
een diere swert soe had hi. gegort ane sine side (24).
Omdat hier niet sprake is van een activiteit die het ond. heeft uitgevoerd (gorden), maar van een persoonsbeschrijving, ligt het voor de hand de groep gegort ane sine side hier als bep.v.gest. op te vatten.
2van de lijdende vorm: werden en sijn:
(...) van desen brieve die wart ghegheven (...) (17),
(...) om dat so diepe es daerin gesteken met onwisen handen (‘omdat het er door ondeskundige handen zo diep ingeduwd is’) (30).
De ‘door-bepaling’ in een lijdende zin (vgl. nnl.: ‘Jan is geslagen door
[p. 48]
Piet’) wordt in het mnl. vaak ingeleid door met (zie bovenstaand voorbeeld), bi of van:
(...) des vierden dages wert si vanden visschers gevonden (32).
3van modaliteit (de wijze waarop de handeling zich verhoudt tot de werkelijkheid: wenselijkheid, mogelijkheid, noodzakelijkheid, enz.): De modaliteit kon in het mnl. uitgedrukt worden door de conjunctiefvormen van het ww te gebruiken (zie blz. 35/36), maar daarnaast ook door het gebruik van bepaalde hulpwerkwoorden. Soms is het moeilijk uit te maken of we met een hww van mod. te maken hebben of met een zww met een inf.(-groep) als object. Het laatste is zeker het geval in:
Can hi lesen enen brief (28).
Met enige voorzichtigheid kun je zeggen dat als hww van mod. voorkomen: willen, mogen, sullen, moeten, dorren en hebben te:
God moet bederven u lijf (‘God moge u ten onder laten gaan’) (22)
Sulc mach oec .xx. jaer leven (‘Sommige kunnen wel 20 jaar leven’) (2),
Men sal gheven verwoeden honden (...) (2).
4van aspect (de wijze waarop de handeling zich verhoudt tot de tijd; begin, einde of duur van de handeling worden benadrukt): We onderscheiden ingressief, duratief en perfectief aspect, die respectievelijk betrekking hebben op het begin, het voortduren en het voltooien van de handeling. (N.B. het ingressieve aspect wordt in het Wdb. vaak ook perfectief genoemd: gericht op het einde van het begin: het perfectieve sitten betekent ‘gaan zitten’.)
Soms ligt het aspect van een ww in de betekenis besloten, zoals bij sitten (‘zitten’, maar ook: ‘gaan zitten’). Vaak wordt een aspect van het ww benadrukt door er een voorvoegsel voor te zetten (ge-, ver-, ont-, be-). Zo kan ge- bijvoorbeeld de nadruk leggen op de voltooiing van de handeling: seggen tegenover geseggen (in can u niet geseggen = ik kan u niet volledig vertellen).
Het aspect kan ook worden uitgedrukt door bepaalde hulpwerkwoorden te gebruiken: pleghen (duratief), beginnen, varen en gaen (ingressief):
.xv. jaer pleghet si te levene (2),
Vaertse bescudden des biddic v (‘Ga haar beschermen, dat vraag ik u’) (20).
In het Nieuwnederlands beschouwen we de werkwoorden zitten, staan, liggen, hangen, en dergelijke in zinnen als ‘Hij zit te werken’ als een hww van aspect. Deze constructie wordt in het mnl. niet gebruikt. In plaats daarvan lezen we in het mnl. hi lach ende sliep dat wij vertalen met ‘hij lag te slapen’. In het mnl. is lach (sat, enz.) dus nog geen hulpwerkwoord, maar moet het als een zelfstandig werkwoord beschouwd worden:
het leedt en screyt opten outaer (‘het ligt te schreien op het altaar’) (9).
Gaet ende wijset mij (‘Ga het mij wijzen’) (9).
5van causaliteit: laten en doen:
Nobel die coninc hadde ghedaen sijn hof crayeren ouer al (‘had een hofdag laten uitroepen’) (Reinaert, regel 44/45).
Deze werkwoorden hebben in het mnl. duidelijk een grotere
[p. 49]
zelfstandigheid dan in het nnl. De oude constructie pv. + part. + inf. (zie voorbeeld) heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot pv. + inf. + inf., waarbij de nieuwe inf. naar achteren is gegaan (‘Nobel heeft een hofdag laten uitroepen’). A.M. Duinhoven heeft over deze ontwikkeling een artikel geschreven in Spel van Zinnen. Album A. van Loey, Bruxelles 1975.
Nog enkele voorbeelden van een causaal hww uit de teksten: (dat) zal se u doen vercoopen (19),
soe liet haer elder vrien (‘zij liet zich elders beminnen’) (8).
6van de gebiedende wijs: De gebiedende wijs kan worden omschreven door een van de werkwoorden sullen, vanden, wanen of willen:
Di ontbiedt Jezus Kerst dattu zuls gaan varen (6),
Ridder waent vollic opstaen (‘Ridders, sta snel op’) (Stoett, 350),
wilt martyn doch scencken (13).
7omschrijvend: Soms worden pleghen/plien en doen als omschrijvende hulpwerkwoorden gebruikt, zoals nu nog in sommige dialecten (vgl. ook het Engels):
Dats dat hi te segghene pliet (Dat is wat hij zegt') (1),
Waer toe eest goet Dat gi coninc heten doet (‘Waartoe is het goed/wat heeft het voor zin dat u koning heet/genoemd wordt’) (29).

Soms vormt een werkwoord met een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord een werkwoordelijke uitdrukking (vgl. nnl. ‘koffiezetten, liefhebben’). Zo komen we in onze teksten bijvoorbeeld tegen: waen hebben (1), gheware werden (10), goem nemen (12), en cont maken (17).

Het naamwoordelijk gezegde

Als koppelwerkwoord komen in de volgende teksten voor: sijn (wesen), bliven, werden, schinen, heten en dunken. De woorden/woordgroepen waaruit het naamwoordelijk deel kan bestaan, zijn:

1Een zn(-groep):
ic hete selve Mariole (12),
IJan es sijn name (21),
Ic wil syn een blij ghesel (13),
het is petou (‘wijn uit Poitou’) (13),
die sijnre konsten een groot meester was (‘die een groot meester was op het gebied van zijn kunst’) (9).
2Een zn(-groep) in de gen., waarmee een bezitsrelatie wordt uitgedrukt:
dit huis (...) sel bliuen altoes des scraven van hollant (17),
die zullen bliven Hannekins vorseit (15).
3Een vn(-groep):
Wat (= wat het) ware dat hi jagede (‘Wat het was, waar hij achteraan zat’) (16)
[p. 50]
Hi gincse haer bi namen nomen, Hoe si hieten ende wie si waren, Die den coninc wilden daren (16).
Het naamwoordelijk deel in het volgende voorbeeld kan opgevat worden als een gen. van het pers. vn of als een bez. vn (is voortgekomen uit de gen. van het pers. vn):
Dlant was alle gader sijn (‘van hem/het zijne’) (Karel ende Elegast, regel 6).
4Een bn(-groep) of deelw. (-groep):
die iagere waren blide (24),
die tay es ende houdende alse lijm (‘die taai en kleverig is als lijm’) (30),
Die meester waert gram (9),
soe blijft verloren Die ziele (‘dan gaat de ziel verloren’) (26),
yet (...)dat schijnt loghenachtich (‘iets dat onwaar lijkt’) (3).
Ook een stoffelijk bn kan naamw. deel zijn:
Alle der sieker cleder die wulline sin (‘van wol’) (27),
een vat dat niet eerden en ware (‘van aarde gemaakt’) (7).
5Een tw(-groep):
Hi las dat hemelen waren drie (6).
6Een bw(-groep):
Hen (= Het en) sal also nit heeten (21),
Hoe si hieten (‘Hoe ze heetten’; zie voorbeeld onder 3) (16).
7Een woordgroep die met een voorzetsel (meestal van) begint:
sijn horen was van goude (24),
niemen si van meerder geslachte (‘niemand is van voornamere komaf’) (22),
dat niet en es van den besten (19).
8te + infinitief(-groep):
Dants (= Dat en es) te ghelovene meer no min (‘Dat kun je beslist niet geloven’) (1),
als to doen is (‘als het moet gebeuren’) (3).
9Een bijzin:
Dats dat hi te segghene pliet (‘Dat is wat hij zegt’) (1).

Literatuur over het nw. gez.: A.M. Duinhoven, ‘Veranderingen in het predikaatsnomen’ in Leuvense Bijdragen 65 (1976). De schrijver tracht in dit artikel een verklaring te geven voor het feit dat sommige woorden en woordsoorten vroeger wel en nu niet meer als nw. deel worden gebruikt.

De objecten

Bij een ww kunnen twee objecten voorkomen:

-Het eerste object, dat in de accusatief of genitief staat als het een zn(-groep) of een vn(-groep) is; deze groep valt zo ongeveer samen met het huidige lijdend voorwerp, oorzakelijk voorwerp en voorzetselvoorwerp.
[p. 51]
-Het tweede object, dat in de datief staat als het een zn(-groep) of vn(-groep) is; deze groep valt zo ongeveer samen met het huidige meewerkend voorwerp (inclusief het belanghebbend voorwerp).

Het eerste object

De verhouding tussen een eerste object en een ww kan van verschillende aard zijn. Zo zegt men wel dat het huidige l.v. de handeling ‘ondergaat’ of dat het door die handeling ‘voortgebracht wordt’. Dit geldt in veel gevallen ook voor het object in de accusatief in het mnl.

Tussen een genitiefobject en het ww bestaan in oorsprong andere relaties. De belangrijkste van deze semantische relaties zijn:

1De handeling strekt zich uit over een deel van wat door het object genoemd wordt (een partitieve genitief):
hi at des honechs (Stoett, 167).
2Het object is de oorzaak van de handeling (een causale genitief):
(si)dankdens (= dankden des) Gode (‘ze dankten God ervoor’) (21).
3De handeling bewerkt verwijdering van het object (een seperatieve genitief):
gi wilt mins quite wesen (‘u wilt me kwijt zijn’) (14).

In het mnl. is het naamvallensysteem echter al op zijn retour. De functie van de naamvallen wordt overgenomen door andere (vnl. syntactische) middelen, zoals de vastere woordvolgorde en het ruimere gebruik van voorzetsels. Deze ontwikkeling merken we ook op bij het genitiefobject. Werkwoorden die in een ouder stadium uitsluitend een gen.object bij zich hebben gehad, komen in het mnl. ook al voor met een accusatiefobject of met een groep ingeleid door een voorzetsel. Zo komen b.v. bij gome nemen (‘aandacht schenken aan’) alle drie de mogelijkheden voor:

dier hi nam goem (‘aan wie hij aandacht schonk’; 2e nv.) (12),
Soe (...) nam goom den boom (‘zij zag de boom’; 4e nv.) (MNW: gome),
daer moet ic op nemen goom (MNW: gome),
Te hare wert namic nauwe goom (MNW: gome).

In de laatste twee voorbeelden zien we omschrijvingen met voorzetsels. We zien daar ook dat het vz nog niet zo vast is als bij het huidige voorzetselvoorwerp.

Het oude genitiefobject heeft zich in de loop der eeuwen op twee manieren ontwikkeld:

aHet verloor zijn genitiefuitgang en was toen niet meer te onderscheiden van een l.v. (een o.v. in een naamwoordelijk gezegde):
Hi bat des brodes naast Hi bat dat broot, en
Wi waren sijns quite naast nnl. ‘We zijn hem kwijt’.
bDe functie van het gen.object werd overgenomen door een groep die door een vz werd ingeleid. Van deze mogelijkheid wordt in het mnl. al volop gebruik gemaakt. Naast het gen.object is bijna altijd al een omschrijving met behulp van een vz mogelijk. Het vz is nog niet erg ‘vast’; het wordt dat pas in de loop van de tijd. De syntagmatische en paradigmatische eigenschappen waardoor het moderne voorzetselvoorwerp zo zeer
[p. 52]
gekarakteriseerd wordt, zijn in het mnl. nog niet of nauwelijks aanwezig. Het is daarom ook een anachronisme om in het mnl. over een v.v. te spreken. Dat bestaat nog niet. Ik spreek over een bijw. bep. als het woord of de groep door een vz wordt ingeleid. Op grond van de betekenis van het ww kan de bijw. bep. nader gespecificeerd worden. Zo ligt bij hem schamen een bep. van causaliteit voor de hand en bij langen (‘verlangen’) een bepaling van doel.
Bij sommige werkwoorden zijn in het nnl. beide mogelijkheden aanwezig, soms met verschil in betekenis; zo b.v. ‘verlangen’ naast ‘verlangen naar’, ‘vertrouwen’ naast ‘vertrouwen op’, enz. Ook bij het nw. gez. zijn beide mogelijkheden soms aanwezig. Zo zijn bij ‘zich bewust zijn’, dat vroeger een gen.object bij zich had, nu zowel een o.v. als een v.v. mogelijk: ‘Hij is zich zijn verantwoordelijkheid bewust’ naast ‘Hij is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid’.

Bij een nw. gez. bestaan in principe dezelfde mogelijkheden als bij een ww. gez. De verschillende grammatici zijn het er echter niet over eens of het object bij een nw. gez. gezien moet worden als een deel van het naamw. deel of als een afzonderlijk object. (Vgl.: ‘Hij is dol op een ijsje’: nabepaling bij ‘dol’ of v.v.? ‘Hij is de stad meester’: bepaling bij ‘meester’ of o.v.?). Ik zal het hier steeds als een apart object beschouwen (zie ook blz. 41).

 

De gezegdes waarbij een genitiefobject in het mnl. mogelijk is, kunnen verdeeld worden in de volgende groepen:

1De gezegdes die een partitieve genitief bij zich hebben:
-Er wordt altijd een deel van de totale hoeveelheid genoemd bij b.v. eten, drinken, lanc sijn, enz.
Hi at des honechs (Stoett, 167),
Sijn aenscijn was eens voets breet (Stoett, 176).
-In zekere zin wordt ook een deel van een totaal uitgedrukt in het object bij doen, plegen (‘doen’), gewagen (‘spreken over’), sien, enz.
God haetse allen die des plegen (‘die van dat soort dingen doen’) (26),
ic rade u wale Dat gijs (= gi des) meer gewaget vor mi (‘dat gij daarover tegen mij niet meer praat’) (20).
-Dit is ook het geval bij het object van bidden, vragen, enz.
Dies began si hem vragen (‘dat/daarover ging ze hem vragen’) (16).
-En bij het object van gezegdes die het begrip ‘streven naar’ als lichamelijke of geestelijke activiteit uitdrukken, zoals lusten, geren (‘begeren’), gierich sijn (‘begerig zijn naar’), enz.
Dat si mire hulpen twint begaren (‘Dat zij mijn hulp helemaal niet begeren’) (10).
2De gezegdes die een causale genitief bij zich hebben:
-Werkwoorden als danken, (ge)loven, lonen, enz.
(si) dankdens (= dankden des) Gode (‘zij dankten God ervoor’) (21),
Hi en wilde (...) dies emmer niet gelooven (‘Hij wilde dit beslist niet geloven’) (6).
[p. 53]
-Hierbij sluiten zich aan gezegdes die een gemoedsbeweging uitdrukken: blide sijn, verdrieten, mode sijn, enz.
dies was hi wel blide (‘daarover was hij zeer verheugd’) (24),
Gi sijt mins mode (‘U bent me zat’) (14),
Dies Walewein sere mesbarde (‘Daarover jammerde W. heel erg’) (14).
-Of die het begrip ‘beschuldigen, beklagen, veroordelen, erkennen’ e.d. uitdrukken: lien, clagen, schuldich sijn, enz.
hi souts (soude des) gewroken werden (‘hij zou ervoor gestraft worden’) (20),
worde hy des bereet (‘wordt hij daaraan schuldig bevonden’) (25).
-Of het begrip ‘zorgen voor, aandacht schenken aan’: gome nemen, hem ontfermen, plegen, sorgen, gedenken, enz.
Ene scone maget, dier hi nam goem (‘Een mooi meisje waar hij aandacht aan schonk’) (12),
Bidt den kinde, dat hij mijns ontferme (9).
Of si ghedinken der scarper doet (‘Als ze in gedachten vertoeven bij die gruwelijke dood’) (31).
3De gezegdes die een seperatieve genitief bij zich hebben:
-roven, afdoen, (enes kindes) bliven (‘bevallen’), quite sijn, enz.
Doe de tijt was comen (...) so bleef se ens soens (21),
gi wilt mins quite wesen (‘Je wilt me kwijt’) (14),
maer in waens (= wane des) niet ombaren (‘maar ik wil het niet missen’) (22).
-Ook gezegdes die het begrip ‘op een afstand blijven’ uitdrukken: wachten, hoeden, enz.
wachts (= wachte des) hem die wille (‘wie (dat) wil, moet daarvoor oppassen’) (26),
elc hoede hem das (‘ieder moet daarvoor op zijn hoede zijn’) (26).

Dan volgt nu een overzicht van de vormen waarin het eerste object (zowel dat in de accusatief als dat in de genitief) kan voorkomen:

1Een zn(-groep):
ain de accusatief
Alle de porters (...) moghen dit hus hebben (...) (27),
soe ware mi waerd wel neghene grote (‘Ze zou me zeker negen schellingen waard zijn’) (19),
bof in de genitief
Dat si mire hulpen twint begaren (‘dat ze mijn hulp helemaal niet nodig hebben’) (10),
doe si aers liefs kints ghenas (‘toen ze van haar lieve kind beviel’) (11).
-De betekenis van het ww wordt soms mee bepaald door het soort object. Zo betekent ghenesen met een gen.object ‘bevallen van’, maar met een acc.object betekent het ww ‘genezen/beter maken’.
-Een oorspronkelijk object kan met een ww een eenheid zijn gaan vormen, een woordgroep met woordbetekenis, waarin het lidwoord kan ontbreken (vgl. nnl.: ‘koffiezetten’). Je kunt de hele groep dan als een ww. gez. beschouwen. Een voorbeeld uit de teksten is goem nemen (12).
[p. 54]
Daarnaast ook crone dragen, hof houden, enz.
Soms heeft dit zn nog bepalingen bij zich. Deze bepalingen vermelden dan een eigenschap die al in het zn ligt opgesloten:
Vraie historie ende al waer Mach ic u tellen; hoorter naer!
Zo begint de Karel ende Elegast. De groep historie tellen impliceert al dat er een waar gebeurd verhaal verteld wordt, dus de bepalingen Vraie en al waer zijn hier eigenlijk overbodig.
-De zn-groep kan later uitgewerkt worden in een bijzin:
De welke maercte der jueden daet, Dat si dien kinde deden quaet (...)(10).
-Het object kan natuurlijk ook gesplitst voorkomen:
Doen Noe ginc in darke ende van allen beesten nam een paer (...) (7).
2Een vn(-groep):
ain de accusatief
ende siet dien wel morwe (‘en kook die goed gaar’) (5),
Al dit (...) mach men maten (‘Dit alles kan men matigen’) (27),
(besiet) wat ic sal betalen (19),
wat es se u waerd danne (19).
bin de genitief
dies hic seker bem (‘waarvan ik zeker ben’) (10).
-Het vn verschijnt soms in enclitische vorm:
hi souts (= soude des) gewroken werden (‘hij zou ervoor gestraft worden’) (20),
of is door enclisis opgegaan in het voorgaande woord:
hi vant (= vant het) (9).
-Een zn na wat staat als regel in de genitief (partitief). Het zn (of de zn-groep) is een nabepaling bij het vn:
Dan doeter inne (...) wat souts (5),
wat namen dat hi woude dat men den kinde gaue (21).
-Een vn kan verderop in de zin in een zn-groep uitgewerkt zijn:
maer in waens (= wane des) niet ombaren wel die .ij. deel van minen rike (‘maar ik wil het niet missen, ruim twee derde van mijn rijk’) (22),
of in een bijzin:
Des wart gheware ysaacs wijf Dat soe maercte haere quaetheden (‘Isaacs vrouw kreeg het in de gaten dat zij (het dienstmeisje) hun slechte daden bemerkte’) (10).
3Een hoofdzin:
aals er sprake is van een directe rede
Ende riep ic vermete mi dat ic die starste si (‘ik ga er prat op dat ik de sterkste ben’) (22),
bof van semi-directe rede
Si seide, het was haer leit (‘het speet haar’) (8).
4Een bijzin:
vraegt uwen here of hi wille iet (10),
besiet wat ic sal betalen (19).
[p. 55]
5Een infinitief of infinitiefgroep (beknopte bijzin):
Die vele bat derschen can (‘Die veel beter kan dorsen’) (20),
dat si wapen dragen mogen (‘of ze wapens kunnen dragen’) (22),
want dar of gheloven wi v scadeloes te houdene (17),
so sin si sculdech tebringhene met hem al dat si hebben (27),
ghi sijt (= sijt het) wel sculdich te wetene (‘u bent wel verplicht het te weten’) (19).
6Een woordgroep die met van begint. Dit is in het nnl. ook mogelijk (‘Ik wil van die groene’):
soe leide Noe in die arke vanden instrumente die ghesmeet waren vanden tide dat Adam was (Sidrac, antwoord 91).
Dit type staat erg dicht bij de objecten in de partitieve genitief.
7Een telwoord(groep):
ende vergaderden op hoer veel steens (‘en verzamelden/wierpen veel brokken steen op haar’) (32).
Het woord steens staat in de gen. en is een nabepaling bij veel.
8Twee bijvoeglijke naamwoorden, nevenschikkend verbonden, doen dienst als object in:
Ende en (= het en) cost hem nochtan groet no smal (‘En het kost hem toch helemaal niets’) (28).

Het tweede object

Het tweede object in het mnl. is te vergelijken met het nnl. meewerkend voorwerp. Het staat als regel in de datief. Het aantal gezegdes dat in het mnl. een tweede object bij zich kan krijgen, is echter groter dan het aantal nnl. werkwoorden met een m.v.

Op grond van syntactische en semantische kenmerken van het tweede object en zijn ‘omgeving’ kun je twee hoofdgroepen onderscheiden, die elk weer in drie groepen onderverdeeld kunnen worden:

1Naast het tweede object is er een eerste object in de zin aanwezig of kan erbij gedacht worden.
aHet onderwerp verwijst naar een persoon; er is sprake van een handeling waarbij onderwerp en tweede object direct betrokken zijn, zoals b.v. geven, nemen, gelden (‘betalen’), lenen, borgen, enz.
ende (‘de meester’) gaf den scolierken enen slach (9),
Ic sal hem sinen sadel stelen (16),
Ghenen onkundighen lueden sal men boeken lenen (‘Aan onbekende mensen zal men niet boeken uitlenen’) (3),
Dat si dien kinde daden quaet (quaet = l.v.) (10);
of van een handeling op het gebied van de ‘taaldaden’, zoals b.v.
seggen, antwoorden, bidden, cont maken, gebieden, enz.
Ende vraegt vwen here of hi wille iet (10),
dat makic aldenghenen cont (21),
Bidt den kinde, dat hij mijns ontferme (9),
Di ontbiedt Jezus Kerst dattu zuls gaan varen (6).
[p. 56]
Soms duidt het ww niet op een relatie tussen twee personen, maar wordt de handeling voor de ander verricht (nnl.: belanghebbend voorwerp); ieder werkwoord dat een handeling uitdrukt, kan een tweede object van dit soort bij zich hebben:
maer snijtter mi XV ellen ende een halve (‘maar knip er voor mij) 15½ el af’) (19).
bHet onderwerp verwijst naar een zaak. Het eerste object duidt hier een hoeveelheid aan bij werkwoorden als costen e.d. (Sommige grammatici spreken hier niet van een eerste object, maar van een bijw. bep. van hoeveelheid; dan zouden de voorbeelden bij groep 2b horen.)
Ende en (= het en) cost hem nochtan groet no smal (‘En het kost hem toch helemaal niets’) (28),
soe ware mi waerd wel neghene grote (‘Ze zou me wel negen schellingen waard zijn’) (19).
cEr is geen onderwerp aanwezig; het eerste object staat (als het er is) in de genitief of in de vorm van een infinitiefgroep, een bijzin of een groep die door een vz wordt ingeleid. We hebben hier te maken met de onpersoonlijke werkwoorden van groep c (zie blz. 46). Degene die de gewaarwording ondergaat, treffen we aan als tweede object:
Mi wondert des (lett.: ‘Er komen daardoor/daarover gevoelens van verwondering bij mij boven’),
Mi gruwelt dat ic ye mensche werd (MNW: gruwelen),
so wonderde hen allen sere (21).
2Naast het tweede object is geen eerste object in de zin aanwezig.
aHet onderwerp verwijst naar een persoon; er is sprake van een handeling waarbij het tweede object slechts zeer indirect betrokken is, zoals b.v. genaken (‘naderen’), nasetten, ontgaen, enz.
Hine volget den roden riddere niet (20),
Daer hi sinen liden na ontreet (‘hij verwijderde zich van zijn mensen door er achteraan te gaan’) (12),
Het geviel dat een (...) wyf den ioden vriendelic wart (‘Het gebeurde dat een vrouw vriendelijk werd tegen de joden’) (32).
bHet onderwerp verwijst naar een zaak. Het gezegde drukt uit dat iets nodig, nuttig, passend, goed, (on)aangenaam, onontkoombaar, enz. is voor de persoon die in het tweede object genoemd wordt, zoals betamen, goet sijn, behoeven, gelieven, gebreken, enz.
dats (= dat es) hem goet (‘dat is goed voor hen’) (2),
di werd nog wel in inne wat waar ofte logene es (‘Het wordt jou nog wel duidelijk wat waarheid en wat leugen is’) (6),
Dit donct mi dbeste (14),
(hare anlamen) die hem behuoven (‘hun huisraad dat ze nodig hebben’) (27),
ghebrake u eenighe penewaerden (‘als u enkele kleinigheden ontbreken’) (19),
updat (= updat het) u ghenoucht (‘als het u behaagt’) (19),
wats (wat des) mi gesciet (‘wat er (met betrekking daartoe) met mij ook gebeurt’).
[p. 57]
Het tweede object in de vorm van een bijzin, verderop in de zin hervat in het voornaamwoord hem:
wine oec hevet, nembermere Sone gebrect hem goet noch ere
(‘wie hem (de diadeem) ook heeft, nooit zal het hem aan bezittingen of eer ontbreken’) (12).
Bij deze groep hoort ook de datief van bezit:
so dat dat bloet dat hem dicken op de cleder uallet (...) demín schinen moge (‘zodat het bloed dat hen dikwijls op de kleren valt, des te minder opvalt’) (27),
dat men den genen diet heeft in dore moet sniden (‘dat men degene bij wie dat het geval is, aan het oor moet opereren’) (30).
cEr is geen onderwerp. Het gezegde drukt iets uit dat passend/betamelijk is, of er is sprake van een gezegde waarbij geen onderwerp valt aan te wijzen, zoals geschieden, betamen, te moede sijn, enz. (Ook sommige onpersoonlijke werkwoorden kunnen tot deze groep gerekend worden; dorsten b.v.: mij dorst.)
alse iageren geteme (‘zoals (het) hoort bij jagers’) (24),
Also was reynaerde geschiet (‘(dat) was Reinaart overkomen’) (Reinaert, regel 54).

Zoals uit de voorbeelden blijkt, verschijnt het tweede object vrijwel altijd in de vorm van een zn(-groep) of een vn(-groep); een enkele keer in de vorm van een bijzin (zie vb. onder 2, b).

De bijwoordelijke bepalingen

Deze bepalingen worden eerst op grond van hun bouw in groepen verdeeld, en daarna op grond van hun semantische eigenschappen verder onderverdeeld. Bijna alle soorten bijw. bep. kunnen gevolgd worden door een hervattend woordje (daer, so of dan).

De bijw. bep. kan bestaan uit:

1Groep ingeleid door een voorzetsel
abepaling van plaats:
dat (...) geschiet is in een dorp van duutschlant (32),
also langhe alse tote arkele een recht arfname es (17),
Besiden coelne te bagharac Daer woende een iuede (31).
Een dergelijke groep kan een bw als bepaling bij zich hebben (beneden in het volgende voorbeeld):
Voert, dat noch vrouwe noch juncfrouwe ghene brewelse hebben en sal beneden an horen clederen (‘Verder, dat vrouwen en jonkvrouwen geen randen van bont onderaan hun kleren mogen hebben’) (25).
bbepaling van richting:
si wert gedragen in die stat (32),
Waeromme ne gaedi tot hare niet? (4),
doe vloe vanden bere. die coc ende menech man (‘Toen vluchtte de kok en (nog) veel anderen weg van de beer’) (24)
Soms wordt de groep door twee voorzetsels ingeleid:
Ghaet (...) toot up een kerkof (11).
[p. 58]
Van een omsluitende groep is sprake in:
Yoen (...) es ter zeewaert gevaren (18),
Doe wert des volcs roepen verheven totten hemel toe (32).
cbepaling van tijd:
Yoen die coninc porde met nachte (‘Yoen, de koning, vertrok 's nachts’) (18),
Die hont rijt te sire achtende maent (‘De hond paart met zijn achtste maand’) (2).
De groep kan een preciserend bijwoord als bepaling hebben (Bina in het volgende voorbeeld):
Bina over een half ure tyts leide hem dat lichaem weder neder (32).
dbepaling van causaliteit (oorzaak en reden):
Om ene andre sake es dit werc oc swar (21),
dat overmits dijnen toorn die waarheid dus is verloren (‘dat het boek dat ware gebeurtenissen verhaalde, door jouw woede verloren is gegaan’) (6).
ebepaling in de lijdende zin (nnl.: door-bepaling):
Dus was dat vraukin daer bedroghen Bi haren zotten wane (8),
Des derden of des vierden dages wert si vanden visschers gevonden (32).
fbepaling van doel:
dat noit een haer Omme niet ne makede nature (‘dat de natuur nooit een haar voor niets heeft gemaakt’) (1),
hi dede een scep touwen Tsinen boef enter vrouwen (‘hij liet een schip klaar maken voor zichzelf en de koningin’) (18).
Vaak maakt een infinitiefgroep deel uit van dit type bepaling. Deze wordt dan ingeleid door om, te of om te:
Daer na (...) loec de maelre sijn doese op om te besiene dat voerscreven dyerken (‘Daarna deed de schilder zijn doos open om het bovengenoemde diertje te bekijken’) (9),
so quamense dat kint te besnidene (21),
(...) Salmen tkint ter scolen zetten (...) Om lesen leren ende scriven (28).
gbepaling van gevolg:
so bidden wi v op eweleke onse verdienen dat ghi dien brief (...) beseghelt (‘in het vertrouwen op onze dankbaarheid voor eeuwig’) (17).
hbepaling van voorwaarde:
die sal die borch besitten in diere manieren. dat hier vorsproken es (17),
Op dese sake quam neder die joncfrouwe (12).
ibepaling van hoedanigheid:
ende segt (= segt het) in dusghedaner wisen (19),
Men saelt leren hoefschelike Grueten (28).
jbepaling van omstandigheid:
Dat si in haer sonden smoren Sonder biechte (26),
Want dit moetmen al met vresen doen (‘met risico’) (26).
kbepaling van middel:
met sulker munten soude men ons wel betalen (19),
en (= het en) ware met gewerke (‘tenzij met mechanische hulpmiddelen’) (24).
lbepaling van beperking:
ende hem dermede te lastene na hare mogenthede ende wethenthede in hare
[p. 59]
zielen (‘en zich daarmee te belasten voor zover dat in hun vermogen ligt’) (15).
mbepaling van modaliteit:
Die te rechte doerste (lees: deerste) wel es (1),
dat evssce leuen Moeten si besitten sonder sneven (‘het eeuwige leven zullen zij ongetwijfeld bezitten/zal hun ten deel vallen’) (31).
2Bijwoord (groep)
abepaling van plaats:
Soe liet haer elder vrien (‘Zij liet zich elders beminnen’) (8),
Datsi bachten te samene cleven (‘Dat ze van achteren aan elkaar blijven vastzitten’) (2),
Si riden daer vore (20).
bbepaling van richting:
Wanen comen die perlen? (‘Waar komen de parels vandaan?’) (7),
cbepaling van tijd:
Doe soe nam die meester sijn hant (9),
die sider gants uonden wérd (‘die naderhand gezond bevonden werd’) (27),
also vroe als hi dat hoerde, quam hi daer toe (letterlijk: ‘zo spoedig als hij het hoorde’) (32).
De woorden gerne en node kunnen als een bep. van tijd beschouwd worden als ze betekenen ‘vaak’ en ‘zelden’:
so vergadert gerne etter in den bodem (23).
dbepaling van causaliteit:
In combinatie met ‘waarom’ (een vn.bw) komt twi (dat ook ‘waarom’ betekent) voor in:
warumbe twi So spraecti onhoefsce wort te mj (‘waarom, waarom (misschien: “waarom in 's hemelsnaam”) spreekt u onvriendelijke woorden tot mij’) (10).
gbepaling van gevolg:
Ende hi desen cyrkel van goude Ane mi dan behuwen soude (‘En dat hij deze gouden diadeem dan (als gevolg daarvan) door het huwelijk met mij zou verkrijgen’) (12),
ibepaling van hoedanigheid:
gi mint mi clene (14),
het's qualike gheboden (19),
Ende stect die steken so diepe. dattie wonde also wel slute in den bodem alse boven (23).
jbepaling van omstandigheid:
Diene souden voeren (...) Al die zee hemelike (‘Die hem in het geheim de hele zee over zouden brengen’) (18),
Ende oec so salmen hier in leren (...) (23).
mbepaling van modaliteit:
De grootste groep hier bestaat uit de ontkennende woordjes en/ne en niet, meestal in combinatie voorkomend. Enkele andere: voerwaer, gerne, node, serteyn:
ic seg u serteyn (...) (22),
hoe node Souden si comen (29).
[p. 60]
nbepaling van toegeving:
Al dit nochdanne mach men maten (...) (‘Dit alles kan men niettemin matigen (verzachten)’) (27).
3Voornaamwoordelijk bijwoord(groep)
abepaling van plaats:
(die ore) daert (= daer het) in es (30).
bbepaling van richting:
gaet hier beneden (10),
Daer dedi inne dragen (...) (18).
cbepaling van tijd:
Dar na gheeft men hem cruyt (5).
dbepaling van causaliteit:
want het souder (= soude der) met te zere wassen (‘want het zou er te veel door uitzetten’) (30),
Ende hir omme (...) so salic (...) die donkerheit vercleren (‘en hierom zal ik de duistere plaatsen verklaren/ophelderen’) (21).
fbepaling van doel:
ghi zult er af betalen (...) (19).
kbepaling van middel:
(die naelde) daer men wonden met nayt (23).
4Zelfstandig naamwoord (groep)
bbepaling van richting:
Diene souden voeren (...) Al die zee (‘Die hem heel de zee over zouden brengen’) (18).
Soms staat de zn-groep in de genitief:
Ende varen nu sirer verde (‘En nu zijns weegs gaan’) (18).
cbepaling van tijd:
ende bliven dair C. jare ofte meer (7),
dat niemen (...) én stic hem seluen vinse besiect (‘opdat niemand het een tijdlang doet voorkomen alsof hij melaats is’) (27).
Soms staat de zn-groep in de genitief:
Ens tijds so bat mi een mijn lieue vrint (21).
5Bijzin
abepaling van plaats:
Dat hi quam (...) Daer hi vant sittende op enen boem Ene scone maget (...) (12).
bbepaling van richting:
ende voer daar 't God gebood (6).
cbepaling van tijd:
als hi was in sinen ghebede, so quam ter stont een sprinkel (‘toen hij aan het bidden was, kwam er meteen een sprinkhaan’) (9),
soe wanneer dat dit scolierken sanc, soe screyde dat kindeken (‘steeds wanneer de leerling zong, huilde het kindje’) (9).
dbepaling van causaliteit:
Die meester waert gram, om dat tscolierken soe qualijc sanc (9),
Nu want wi vanden ioden woerde gehadt hebben, so wil ic een zeer merkelic
[p. 61]
dinc vertellen (‘Nu, omdat we het over de joden gehad hebben, wil ik een heel merkwaardige geschiedenis vertellen’) (32).
fbepaling van doel:
latet sieden dat binde (‘laat het doorkoken opdat het gaat binden’) (5),
ende stopten des maechdekens mont, op dat si niet roepen en soude (32).
gbepaling van gevolg:
dattie wonde also wel slute in den bodem alse boven. so datter geen etter in en gadere (‘dat de wond onderin net zo goed sluit als van boven, zodat er zich geen etter in kan verzamelen’) (23).
Soms verdient het aanbeveling de bepaling te zien als een voortzetting van de voorgaande zin:
so quam ter stont een sprinkel ende spranc voer hem, also dat hi dat dierken nam (...) (‘toen kwam er meteen een sprinkhaan voor hem springen; en toen pakte hij het diertje op’) (9).
hbepaling van voorwaarde:
alse ic singhe, soe screyt (= screyt het) (9).
ibepaling van hoedanigheid:
Ende hir omme (...) so salic (...) die donkerheit vercleren, so ic best ende cortelecst mach (‘En hierom zal ik de onbegrijpelijke plaatsen zo goed mogelijk en zo beknopt mogelijk verduidelijken’) (21).
N.B. Letterlijk staat er: ‘zoals ik het het best en het kortst kan’. Het woordje so is hier dus een voegwoord.
jbepaling van omstandigheid:
Ende spraken tegader (...) Alsoet ghod wilde van hemelrike (31).
Want het doet de lippen vanden wonden te gadere heilen. also roelandijn seit (‘Want, zoals Roelandijn zegt, het doet de kanten van de wond aan elkaar groeien’) (23).
obepaling van vergelijking:
haelt dine pil als onse lieue vrauwe haren rechten magedum dede (‘behoud je pijl, zoals onze lieve vrouwe haar maagdelijkheid behield’) (11).
Een bijzin met een preciserende bepaling:
ende reckede die hant wt totten prince, recht oft gebeden had om wrake der bloetstortinge (‘en stak de hand uit naar de vorst, net alsof het om wraak voor deze misdaad vroeg’) (32).
Een dergelijke bepaling in de vorm van een elliptische zin:
rechte alse een iagere. zegeurijt die helt reet (‘Zegevrijt, de held, reed precies als een jager’) (24).
6Beknopte bijzin (infinitief- of deelwoordgroep)
cbepaling van tijd:
dat si willen vorsorghen dit vorseit kint (...) x jaer ghedurende (15).
fbepaling van doel:
Die up wille sitten (...) Dit scaecspel halen (‘Die te paard wil stijgen om dit schaakspel te halen’) (Walewein, 71/72).
Infinitiefgroepen die worden ingeleid door om, te of om te zijn vermeld bij groep 1.
jbepaling van omstandigheid:
also doet den steen comen treckende opwert ute (‘laat de pit zo, terwijl je omhoog trekt, naar buiten komen’) (30).
[p. 62]
obepaling van vergelijking:
Ende daerna so hale sinen adem zere in. of tote hem sugende (‘en laat hij daarna diep inademen, alsof hij aan het zuigen is’) (30).
7Een zin met de woordorde van een hoofdzin
hbepaling van voorwaarde:
Een bepaling in deze vorm gaat in het nnl. altijd vooraf aan de overige zinsdelen (‘Kom je in de stad, neem dan even een boek voor me mee’). Ze fungeert als een soort ‘aanloop’, die soms wel, soms niet in een verwijswoordje hervat wordt. De woordorde is die van de vragende zin. In het mnl. kan deze bepaling aan het begin, maar ook in het midden of aan het eind van de zin staan.
Side goethet comt wel vort (‘Als u goed bent, dan zal dat wel blijken’) (22),
Kindine (= kinde hi ne) hine volgede hem niet (‘Als hij hem kende, dan zou hij er niet achteraan gaan’) (20),
Oc sin sculdech die besmet sin. hebben si wif ende kinder. (...)
tebringene met hem derdendel uan al den goede dat si hebben (‘Degenen die melaats zijn, moeten, als ze vrouw en kinderen hebben, ook het derde deel van hun bezittingen meenemen’) (27),
hi soutse verslaen Wordi (= worde hi) verbolgen (‘hij zou ze verslaan/doden, als hij kwaad zou worden’) (20).
Soms volgt de pv. meteen op de bepaling (zonder verwijswoord dus):
is yn enighen boeken yet onrechtes (...) sal men ierst brengen totten rectoir (‘als er in sommige boeken iets staat dat niet juist is, moet men (deze) eerst naar de rectoir brengen’) (3).
In het volgende voorbeeld wordt de zin geopend door twee bepalingen van voorwaarde, die zonder verbindingswoord naast elkaar staan. De ene staat in de vorm van een bijzin, de andere heeft de woordorde van de vragende zin.
Ende alse ene wide wonde es geslagen met .1. swerde of dies gelike. essi te wijt. so naytse (‘En als er door een zwaard of iets dergelijks een gapende wond is geslagen, hecht die dan als ze te wijd is’) (23).
nbepaling van toegeving:
Als deze bepaling voorafgaat aan de andere zinsdelen, fungeert ze vaak als een soort ‘aanloop’, die later soms in een verwijswoordje (nochtan in het eerste voorbeeld) hervat wordt.
al ne rekent mense niet so diere Nochtan sijn si (...) Nuttelijc (‘al beschouwt men ze als niet zo kostbaar, toch zijn ze nuttig’) (2),
Al waerre .x. hi soutse verslaen (‘Al waren het er tien, hij zou ze verslaan/doden’) (20),
Maer overwaer dar ict wel staerken Doen si wel quaet ofte ghoet Dat (= dat het) hem vergauden noch sal wesen (‘Maar voorwaar, ik durf wel vol te houden dat het hun vergolden zal worden, wat ze ook mogen doen (lett.: of het nu goed of kwaad is wat ze doen)’) (10).
[p. 63]

De bepaling van gesteldheid

De bepaling van gesteldheid wordt verdeeld in twee groepen:

 

1 De resultatieve werkwoordsbepaling

 

De bepaling van gesteldheid ‘volgens de handeling’ komt voor bij werkwoorden als achten, noemen, heten, enz. Die ‘ten gevolge van de handeling’ komt voor bij werkwoorden als maken, breken, sieden, enz. Dit soort bep.v.gest. zegt meestal iets van het lijdend voorwerp. Tussen het l.v. en de res.ww.bep. bestaat een verhouding als tussen onderwerp en naamwoordelijk deel.

De resultatieve werkwoordsbepaling komt voor als:

aBn(-groep):
Ende al ne rekent mense niet so diere (‘al beschouwt men ze als niet zo kostbaar’) (2),
ende siet dien wel morwe (‘en kook die goed gaar’) (5),
die sider gants uonden wérd (‘die naderhand gezond bevonden werd’) (27).
Soms is het l.v. een wederkerend voornaamwoord:
Hi wilt hem houden nu al stille (‘Hij wil zich nu rustig houden’) (18),
dat niemen (...) hem seluen vinse besiect (‘opdat niemand doet alsof hij melaats is’; lett.: ‘zichzelf melaats veinst’) (27).
Een res.ww.bep. in een beknopte bijzin (infinitiefgroep):
om dewangelie cler te makene (‘om het evangelie duidelijk te maken’) (21).
bZn(-groep):
ende hietent Zacharias na sinen vader (21),
hete enich den anderen hurrenson (‘als iemand een ander voor hoerekind uitscheldt’) (25),
Nochtan so makensi menighen Job (‘Toch maken ze menigeen tot Job = Toch laten ze menigeen op den duur zijn geduld verliezen’) (8).
cGroep ingeleid door een voorzetsel:
ende dat sedt te weycke (‘en zet het in de week’) (5),
so suldy den coecke in stucken wryven (5),
alse men enen mensche ontfan heuet ouer siec die sider gants uonden wérd; dien ne salmen níet ontfan int geselschep der gantser (‘als men iemand als zieke heeft binnen gekregen, die later gezond bleek, die mag men niet bij de gezonden (het personeel) opnemen’) (27).
Het vz te moet in het nnl. soms door ‘als’ worden weergegeven:
die (dit) dichte Om te sendene teere (= te enere) ghichte (1),
die borch (...) van hem te houdene (...) te rechten arflene (17).
Soms hoort de res.ww.bep. niet bij het l.v., maar bij het ond., met name vaak in de lijdende zin; vgl.: ‘Ik kook het tot moes’ en ‘Het is tot moes gekookt’. Twee voorbeelden (waarvan de eerste als een lijd. zin beschouwd kan worden):
hoe dat des sceepers scape verwandelt waren in sprinkellen (‘hoe de schapen
[p. 64]
van de herder in sprinkhanen veranderd waren’) (9),
also selen sy te nieute gaen (‘zo zullen ze ten onder gaan’) (7).
dBw(-groep):
Bijwoorden in deze functie zijn vaak ontstaan uit een vroegere groep die door een vz werd ingeleid. Zo is b.v. tegader ontstaan uit te + gadere (‘tot een paar, samen’):
Want het doet de lippen vanden wonden te gadere heilen (‘want het laat de kanten van de wonden naar elkaar toe trekken’) (23),
hi soude tfleesch te noeder sniden ontwee (letterlijk: ‘hij (de draad) zou het vlees (des te) minder gauw in tweeën snijden’) (23).

2 De predicatieve toevoeging

 

De bepaling van gesteldheid ‘tijdens de handeling’ kan bij iedere zelfstandigheid in de zin horen. Ze kan zinsdeel en zinsdeelstuk zijn. In een woordgroep met een bijvoeglijk naamwoord na een zelfstandig naamwoord in rijmpositie (die coninc wert 18) is het soms moeilijk uit te maken of er sprake is van een nageplaatste bijv. bep. of van een predicatieve toevoeging. (Vgl.: ‘De dronken man stommelde de trap af’ en ‘De man, dronken, stommelde de trap af’.) Als er geen semantische argumenten tegen pleiten, zullen we een nageplaatst bijvoeglijk naamwoord als een pred. toev. beschouwen.

De pred. toevoeging kan bestaan uit:

aBn(-groep) of deelw.(-groep):
Die hont wort geworpen blent (2),
Dan legt men den visch daer inne al drooghe (5).
Een deelwoord kan op grond van zijn verbale valentie meer en andersoortige bepalingen bij zich krijgen dan een bn:
neemt dan broot dunne ghesneden (5),
een diere swert soe had hi, gegort ane sine side (24),
Daer hi vant sittende op enen-boem Ene scone maget (12).
ende enen hornen boge. hadde hi oec an heme met huden overtogen (‘en hij droeg ook een hoornen boog, bekleed met dierehuiden’) (24).
bZn(-groep). Dit type pred. toev. wordt ‘bijstelling’ genoemd. Een bijstelling is altijd zinsdeelstuk:
Florens Grave van hollant die groet (...) (17),
doe balch hem aymijn die oude (‘toen werd Aymijn, de “oude heer” kwaad’) (22),
rechte alse een iagere. zegeurijt die helt reet (24).
Een vn met drie bijstellingen:
Jc jan here van arkele ridder make cont (17).
cBijzin. We hebben dan te maken met de zogenaamde ‘uitbreidende’ bijvoeglijke bijzin. Ook deze is altijd zinsdeelstuk:
God die boven al es vroet (...) (1),
Jacob van Marlant die (dit) dichte Om te sendene teere ( = te enere) ghichte wille (...) (1).
[p. 65]
dZin met de woordorde van de vragende zin:
Der vrouwen list es menichvout Sijn si jonc oft sijn si out (‘... of ze nu jong of oud zijn’) (16).
eVn(-groep):
Die susteren sullen (...) een yghelick een boeck bidden (3)
Dyt suldy al te samen laten sieden (‘Dit, alles bij elkaar, moet je laten koken’) (5),
hi en waert selue dan (‘tenzij dan hij zelf’) (24).
fTw(-groep):
(hondert scellen groot) Die alle sijn van goude root (‘die allemaal van rood goud zijn’) (16).
gGroep ingeleid door een voorzetsel:
soe vinden sy die peerlen na de wise van enen stucke vleesch (‘dan vinden ze de parels die (dan) zo zacht zijn als een stuk vlees’) (7).
hGroep ingeleid door als:
(sijn ere) Die hi lange hadde als here Gehouden (18),
Florens (...) die groet die scepene ende die ghemeene port van dordrecht alse sine ghetrouwe portre (17).
Als kan ook de betekenis ‘namelijk, te weten’ hebben.
twe brueders van der prediker oerde als Reynerus ende Egydius (32),
dat ghi dien brief als van dien tolne van dordrecht (...) beseghelt (17).

Aanspreking/Tussenwerpsel

Los van de syntactische structuur van de zin staan:

 

1 De aanspreking

 

Als aanspreking kunnen dezelfde woorden en woordgroepen fungeren als in het nnl. De kern van dit zinstype is vaak een zn. Een voornaamwoord alleen komt in de volgende teksten in deze functie niet voor, hoewel het in het mnl. wel mogelijk is:

Hore harewaert, du! (‘Hoor hier, jij’) (MNW: du).

Ook komt voor de combinatie vn + zn (-groep):

Du oude geck, God moet bederven u lijf (22).

Het zn heeft in deze functie van aanspreking geen lidwoord bij zich:

Scoon heere, ic belove mi van u (‘Waarde heer, ik betuig u mijn dankbaarheid’) (19),
Warumbe pute wat doen si dan (‘Waarom, slet, wat doen ze dan’) (10),
Synt vant gebraden coninc (‘Snijd van het gebraad, koning’) (13).

Soms wordt een ‘zaak’ aangesproken:

Ic bezweere di, schicht (...) dattu mi niet en scietes (‘Ik bezweer je, pijl, dat je me niet raakt’) (11).

Vaak is het zn een eigennaam:

Clarette dit was wel gedaen (20),
[p. 66]
Neemt doch lief leeuken tspit vant vier (‘Neem het braadspit toch van het vuur, lieve kleine Leo’) (13),

of is er sprake van een zn in combinatie met een eigennaam:

her keye v tale Es quaet (20).

Ook woorden die een functie uitdrukken kunnen in combinatie met her e.d. als aanspreking dienst doen:

Her coninc, gi sijt hier al in een Met uwer feest (29).

Aan het zn kan natuurlijk ook een bijstelling toegevoegd zijn:

Joncfrouwe, live vrindinne (12).

De zn-groep kan nevenschikkend verbonden zijn met een andere zn-groep of vn-groep. In de volgende aanspreking verbindt het eerste ende de twee bijv. bepalingen bij coninc (versaect en oec blode), het tweede ende de zn-groep Versaect - blode met de vn-groep die - u.

Versaect coninc ende oec blode, Ende die hier sitten bi u (29).

De aanspreking kan worden voorafgegaan door een tussenwerpsel (net als in het nnl.: ‘Zeg Piet (...)’):

O lieve vriend Brandaan (6),
ay soete venis, goddinne van der minne (11).

2 Het tussenwerpsel

 

Het tussenwerpsel kan een woord of een woordgroep zijn. Dit zinstype komt voor in combinatie met een aanspreking (zie bovenstaande voorbeelden) en zelfstandig:

Wel an, ic wil de wareit weten (8).

Soms wordt het tussenwerpsel gevolgd door een vn:

Ay mi (8).

In het volgende voorbeeld staat ook live God syntactisch los van de zin. Deze groep wordt ook als een tussenwerpsel beschouwd:

Ay mi sprac hi live God Hoe dul es hi ende wel sot Die wiven geloeft nembermere (14).

Een vn of zn-groep na een tussenwerpsel kan in de genitief staan (gen. van oorzaak):

Fi der scanden (Stoett, 177).

Woordgroepen

De zelfstandig naamwoordgroep

De bouw van de zn-groep in het mnl. is grotendeels gelijk aan die van de zn-groep in het Nieuwnederlands. Net als in het nnl. kan de kern (het zelfstandig naamwoord) worden voorafgegaan door:

-eerstegraads-bepalingen: vnl. bijvoeglijke naamwoorden en deelwoorden;
-tweedegraads-bepalingen: telwoorden;
-derdegraads-bepalingen: voornaamwoorden, eigennamen in de genitief en zn-groepen gevolgd door sijn of haer (vgl.: ‘zijn boek, Jans boek, Jan z'n boek’).
[p. 67]
-al en sulc/so (en varianten van deze woorden) als voorbepalingen van de hoogste graad.

Een voorbepaling in een zn-groep kan zelf ook weer een bepaling bij zich hebben (vgl.: ‘die heel oude man’). Enkele voorbeelden van mnl. zn-groepen:

sine ghetrouwe portre (17),
1. roden zidinen draet (23),
Die vierde graet (26),
Al die zee (18),
sulc enen clanc (16).

Tussen een bez. vn en een zn kan een objectsrelatie of een subjectsrelatie bestaan. Zo kan harre minne betekenen ‘de liefde voor haar’, maar ook ‘de liefde van haar’. In tekst 12 is er duidelijk sprake van een objectsrelatie:

Doen (...) Werd hi ontsteken van harre minne (12).

Door situatie en/of context kunnen net als in het nnl. verschuivingen optreden in de rangorde van de bepalingen:

dese vorseide x jaer (15),
den heleghen .v. wonden (11).

Evenals in het Nieuwnederlands kunnen als nabepalingen voorkomen:

azn-groep als bepaling van identificatie:
lieve vriend Brandaan (6),
of als bepaling van specificatie (vgl.: ‘een kop koffie’). Deze bepaling verschijnt vaak in de genitief (part.gen.):
eenen goeden deel suyckers (5).
bzn(-groep) in de genitief, die geen bep. van identificatie of specificatie is. In het nnl. treffen we in dit geval een zn-groep aan die met der of des begint (‘de taal der dieren’), of een groep, ingeleid door een voorzetsel (‘de taal van de dieren’):
die sceppenesse des dierkens (‘de vorm van het diertje’) (9).
Natuurlijk kan de zn-groep die nabepaling is, zelf ook weer een nabepaling bij zich hebben (een bijzin in het volgende voorbeeld):
(om) de lieuede mijns vrinds diese dede met groten ernste (21).
cvoornaamwoordelijk bijwoord:
die orberlijcheit daer af (‘het nut daarvan’).
dtelwoord als bepaling van identificatie:
(in)t jair ons heren MCC ende LXI (32),
waarin ons heren een eerste nabepaling is.
eeen groep ingeleid door een voorzetsel:
al de jueden van der stat (31),
(na) sente martins daghe in den zomer (17).
feen zn(-groep) of een vn(-groep), ingeleid door een voegwoord:
enech dinc (...) alse coren of stene of dies gelike van andren dingen (‘een voorwerp zoals een graankorrel of een pit of iets dergelijks’) (30).
geen bijzin, ingeleid door een betr.vn, een bijwoord, een vn. bw of een voegwoord:
een scolierken, die een lesse soude singhen op enen kersnacht (9),
(in)t jaer Ons Heren doe men screef M.CCC.XXXIIII. (15),
[p. 68]
(bi) den viere daar die boek in bernende lag (‘bij het vuur waarin het boek lag te branden’) (6),
(in) diere manieren, dat hier vorsproken es (‘op de hierboven genoemde voorwaarde’) (17).

Ook vrije bepalingen (bijwoorden die zowel vóór als achter het zn kunnen staan) kunnen deel uitmaken van een zn-groep:

alene hare euel (‘alleen hun kwaal’) (27),
wel die .ij. deel van minen rike (‘ruim twee derde van mijn rijk’) (22),
demeeste Here. ende de rijcste mede (‘de belangrijkste en tevens de rijkste man’) (31).

Omsluitende bepalingen: Deze bestaan uit een voorbepaling en een nabepaling die van de voorbepaling (of van een deel daarvan) afhankelijk is:

(Van) so menighen creaturen Als in desen boeken staen (1),
Die scoonste (sadel) die nie man sach (‘Het mooiste zadel dat ooit iemand gezien had’) (16),
Els negene dinc (begerde) dan si Den genen mochte hebben (...) (‘Anders niets begeerde dan dat zij diegene mocht bezitten...’) (4).

De mnl. zn-groep kan wat bouw betreft ook afwijken van het nnl. De belangrijkste afwijkingen worden hieronder vermeld:

1Het lidwoord ontbreekt daar waar je het wel verwacht. Dit komt onder meer voor bij namen die enig in hun soort zijn (op eerterike 7), bij namen van talen, volken en aardrijkskundige eigennamen (In dietsch 1), in ontkennende zinnen (Daer ave en wiste moederbaren 18), in vaste uitdrukkingen, vooral na een vz (met nachte 18), vóór een rangtelwoord (tebringene met hem derdendel uan al den goede 27), en vóór het woord ander (Het es ander dinc dat u deert 16).
2Het lidwoord staat daar waar je het niet verwacht. Dit komt onder meer voor bij stofnamen (Root als een bloet, Stoett 96), bij abstracte woorden (Doe quam hem an een vaec, Stoett 96), vóór eigennamen in de genitief (In des Diderics tiden, Stoett 95) en vóór eigennamen voorafgegaan door een titel (Die coninc Artur hilt hof, Stoett 95).
3Soms gaat een telwoord (een tweedegraadsbepaling) vooraf aan een derdegraadsbepaling (meestal een vn). We krijgen dan een constructie als:
een mijn lieue vrint (21).
Deze groep is op twee manieren te interpreteren: a ‘een goede vriend van mij’, en b ‘een van mijn goede vrienden’ (partitief).
Evenzo is:
een di beste hoetbant (12)
te interpreteren als: a ‘de diadeem die de allerbeste is (er is geen betere)’, en b ‘een diadeem die tot de beste diademen behoort (hij maakt deel uit van een groep beste diademen)’. Vaak moet de context (of de situatie)
[p. 69]
bepalen aan welke interpretatie de voorkeur gegeven moet worden. (Zie hierover A.M. Duinhoven, ‘Een de vrijtste ende edelste man vander werlt’ in N.Tg 1972.)
4Het bijvoeglijk naamwoord staat na het zn. Dit komt eigenlijk alleen maar in het rijm voor:
hondert scellen groot (16),
die coninc wert (18).
Het is soms moeilijk uit te maken of er sprake is van een nageplaatst bn of van een predicatieve toevoeging:
Hier beghint de prologhe cort ende goet (31).
5Ook het telwoord kan in rijmpositie na het zn komen. In het volgende voorbeeld is de eerste zn-groep echter opmerkelijk: ook daar achterplaatsing van het telwoord, terwijl er toch geen sprake is van rijmpositie. (Dit probleem komt ook ter sprake in ‘Een tekstkritische excursie’ na tekst 18.)
Joncfrouwen .ii. ende cnapen viere (18).
Misschien is er verwantschap met de telwoordgroep waarin het tw door een zn-groep in de genitief (part.gen.) wordt voorafgegaan:
(Daer ghescieden) der mieraclen twee (Stoett, 104).
Bij deze gevallen wordt het zn echter altijd door een lw of een vn voorafgegaan.
6Ook het ontkennend lidwoord kan in rijmpositie na het zn staan:
(dat nes) logene gene (22).
7Evenals het bezittelijk voornaamwoord. Het zn wordt dan voorafgegaan door een lidwoord:
(met)ten heere mijn (10),
de passie sine (31).
8Een zn (-groep) of vn in de genitief kan als derdegraads-voorbepaling fungeren. Dit is in het nnl. alleen maar mogelijk bij eigennamen en als eigennamen fungerende zelfst. naamwoorden: ‘vaders jas, Piets fiets’.
des zeewes baren (‘de golven van de zee’) (6),
sijns vader doet (‘de dood van zijn vader’) (18),
der iueden daet (10),
dies gelike (‘iets dergelijks’; letterlijk: ‘het gelijke van dat’) (23).
N.B. Het lw in het eerste en derde voorbeeld behoort dus bij de voorbepaling en niet bij het kernwoord.
Als de zn-groep die als bepaling fungeert, zelf een nabepaling heeft, komt die na het kernwoord:
om des kindekens wille, daer ghi ons af hebt gheseyt (9).

De voornaamwoordgroep

Hoewel een voornaamwoord in veel opzichten verwant is met een zn-groep, zijn er op het punt van de groepsvorming wel verschillen. De mogelijkheid van voorbepalingen (zowel aantal als soort) is veel geringer.

[p. 70]

De vn-groep daarentegen kan een bijwoord als voorbepaling hebben, wat in de zn-groep niet mogelijk is.

 

Als voorbepaling kunnen dienst doen:

alidwoord:
eenen yegheleecken (diese sach) (9).
bbijwoord:
luttel iement (‘bijna niemand’) (18).
So vóór een vn heeft een algemeen makende kracht. So wie betekent: ‘wie dan ook’.
cal: Net als bij de zn-groep kan al als bepaling van de hoogste graad optreden:
alle den ghenen die desen brief sien sullen ofte horen (17).

Nabepalingen:

azelfstandig naamwoord:
Blijkens de verbuiging van het zn (part.gen.) is wat het kernwoord in:
wat souts (5).
bbijvoeglijk naamwoord:
Evenzo veroorzaakt yet een (part.) genitief van het bn in:
yet onrechtes (3).
cvoornaamwoord:
wats (= wat des) gesciet (letterlijk: ‘wat daarvan (of ‘met betrekking daartoe’) gebeurt’) (14).
dgroep die met een voorzetsel begint:
die van dien lande (‘de mensen van het land’) (7),
sulc van .xv. iaren (‘iemand van 15 jaar’) (22).
egroep die met een voegwoord begint:
niet dan goet (‘niets dan goede dingen’) (MNW: niet).
fbijzin ingeleid door een betr. vn of een voegwoord:
elken die hier in lesen sal (3),
hare nature es selc alst God ghevoecht heeft (‘hun natuur is zo(danig) als God het geregeld heeft’) (7).
gtelwoord:
De groep persoonlijk voornaamwoord + telwoord kan op drie manieren geïnterpreteerd worden.
si sevene
kan betekenen: a ‘zij met z'n zevenen’, b ‘zeven’ en c ‘zeven van hen’ (een partitieve interpretatie van het vn si dus). Uit de context en/of situatie moet de juiste betekenis afgeleid worden:
(Tebagharac (...) Woenden) si twe (31).
Of er inderdaad sprake is van een vn als kern en een telwoord als bepaling, is moeilijk te bewijzen. (Zie over dit type woordgroep: A.M. Duinhoven, ‘Vier partitieve (?) constructies in het Middelnederlands’ in N. Tg. 65 (1972).)

Vrije bepalingen:

sy oec (7).
[p. 71]

Een omsluitende bepaling hebben we in:

el niemene dan mi (‘niemand anders dan mij’) (11).

De bijwoordgroep

Voorbepalingen: