De verschillende vormen van een woord die afhankelijk zijn van de functie van dat woord in het grotere geheel (woordgroep of zin), noemen we de naamvallen. Zo kan b.v. een nabepaling bij een zn in de 2e nv. staan:
die sceppenesse des dierkens (‘het uiterlijk van het diertje’) (9),
en het l.v. in de 4e nv.:
Neempt eenen goeden carper (5).
Natuurlijk kunnen deze twee mogelijkheden ook gecombineerd voorkomen. Een nabepaling in de 2e nv. kan deel uitmaken van een l.v. (in de 4e nv.). Zo lezen we in tekst 9:
(hi bat) dat si hem woude toenen die sceppenesse des dierkens.
Het gedeelte die - dierkens is het l.v.; de woorden die en sceppenesse staan dan ook in de 4e nv., maar de nabepaling hierbij (des dierkens) staat in de 2e nv.
Het is gemakkelijk als je weet in welke naamval de verschillende zinsdelen en delen van zinsdelen gewoonlijk staan. Daarom nu het volgende overzicht.
In deze naamval worden uitgedrukt:
| 1 | Het onderwerp:
Die coninc vraecht (7). |
| 2 | Het nw. deel van het gezegde:
eist een kerselsteen (‘is het een kersepit’) (30). |
| 3 | De aangesproken persoon:
Du oude geck, God moet bederven u lijf (22). |
Hierbij twee opmerkingen.
| a | Ook in een elliptische zin (zin of bijzin zonder pv.) staat dat deel dat als ond. beschouwd kan worden in de 1e naamval:
rechte alse een iagere. zegeurijt die helt reet (‘Zegevrijt, de held, reed precies zo als een jager (reed)’) (24). |
| b | Een enkele maal vertoont het ond. een 4e nv., een verschijnsel dat we in sommige dialecten nog aantreffen:
An sinen hals hinc enen incthoren (Stoett, 158). |
In deze naamval kunnen voorkomen:
| 1 | Het eerste object (zie voor deze term, blz. 50) bij een werkwoord of een werkw. uitdrukking. Welke werkwoorden in het mnl. een gen. object bij zich kunnen hebben, kun je vinden op blz. 52/53. In het nnl. treffen we in deze gevallen vaak een voorzetselvoorwerp aan (soms een l.v.): |
Dat si mire hulpen twint begaren (‘dat zij mijn hulp helemaal niet begeren/dat zij helemaal geen prijs stellen op mijn hulp’) (10), |
|
| 2 | Een bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord dat als nw. deel van het gezegde fungeert (of kan fungeren). Je zou deze bepaling ook een eerste object bij een nw. gez. kunnen noemen. In het nnl. treffen we hier vaak een voorzetselvoorwerp of een oorzakelijk voorwerp aan:
Si was herde blide das (‘Zij was er erg blij om’) (4), |
| 3 | Een bw. bep. van richting (vgl. nnl. ‘zijns weegs gaan’):
Ende varetse daer sire vaerde (‘En nam haar toen mee op zijn tocht/En ging toen met haar zijns weegs’) (14). |
| 4 | Een bw. bep. van tijd, met name die bepalingen die een tijdstip of een herhaling aangeven (vgl. nnl. ‘jaarlijks’):
Dar al de jueden van der stat Elcs iaers hilden hare parlement (‘Waar alle joden van de stad ieder jaar hun vergadering hielden’) (31), |
| 5 | Een bw. bep. van omstandigheid of een pred. toev. bij een object (vgl. nnl. ‘blootshoofds’):
gebogens knyes (‘met gebogen knieën’) (Stoett, 179), |
| 6 | Het nw. deel van het gez. als hiermee een bezitsrelatie wordt uitgedrukt. (vgl. nnl. ‘het horloge is van mij/het mijne’):
dit huis (...) sel bliuen altoes des scraven van hollant (‘dit huis zal altijd van de graaf van Holland blijven’) (17). |
| 7 | Een aanvulling bij een interjectie (vn of zn-groep) kan als een genitief van oorzaak worden beschouwd:
Wach arme deser groter noot (‘Ach, wat een treurige toestand’) (Stoett, 177), |
| 8 | Een voorbepaling in een zn-groep (vgl. nnl. ‘Piets jas’):
des sceepers scape (‘de schapen van de herder’) (9), |
| 9 | Een nabepaling in een zn-groep (vgl. nnl. ‘de heer des huizes’):
die sceppenesse des dierkens (‘het uiterlijk van het diertje’) (9).Als het om een bepaling van specificatie gaat, kan het lidwoord achterwege blijven (vgl. nnl. ‘een kopje koffie, een poosje geduld’). We spreken dan van een partitieve genitief: een half ure tyts (32). |
||||
| 10 | Een partitieve genitief treffen we ook aan als nabepaling in een voornaamwoordgroep:
wat souts (‘een beetje zout’) (5),of een telwoordgroep: so vele ghelts (19).Enigszins verzwakt is de betekenis van des in de uitdrukking: wats ( = wat des) gesciet (lett.: ‘wat daarvan (of: “met betrekking daartoe”) gebeurt’) (14). We vertalen deze groep meestal met: ‘wat er ook gebeurt’. |
||||
Tot slot nog twee opmerkingen:
|
Hierin staan:
| 1 | Het tweede object bij een werkwoordelijk gezegde. Welke groepen werkwoorden een tweede object bij zich kunnen krijgen, kun je vinden op blz. 55-57:
mijn here heift v gegeuen scone dinc (22), |
| 2 | Een bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord dat als nw. deel van het gezegde fungeert (of kan fungeren). Je zou dit ook een tweede object bij een naamwoordelijk gezegde kunnen noemen:
Het geviel dat een (...) wyf den ioden vriendelic wart (‘Het gebeurde dat een vrouw vriendelijk werd tegen de joden’) (32). |
| 3 | Een groep die door een voorzetsel wordt voorafgegaan. (Het vz en niet de syntactische functie van de groep is hier dus verantwoordelijk voor de gebruikte naamval.) Veel voorzetsels kunnen zowel door een datief als door een accusatief gevolgd worden, zo b.v.: in, naer, overmits, eer, op. Een aantal echter wordt bijna altijd door een datief gevolgd. De meest voorkomende zijn: beneden, bi, binnen, buten, met, te, ute en van.
de text van der ewangelien (21), |
| 4 | Het ‘onderwerp’ in een infinitiefgroep die afhangt van doen of laten (vgl. nnl. ‘ik laat hem de vloer dweilen’):
Alse enech dinc valt in die oren (...) so salmen doen ademen enegen vrient van dien zieken in die ore daert in es (30). |
| 5 | Het ‘onderwerp’ in een infinitiefgroep die als object fungeert bij horen of sien:
Die coninc horde seggen sinen ghenoten (...) (Stoett, 181). |
| 6 | Een datief van bezit (vgl. nnl. ‘Het zweet stond hem op het voorhoofd’) komt ook in het mnl. voor:
dat v dogen souden vergaen (‘dat uw ogen het zouden begeven’) (22). |
| 7 | Evenals een ethische datief (vgl. nnl. ‘Het is me wat moois’):
Ghi selt mi saterdaghe gaen ter kerken (Stoett, 188). Tot deze groep zouden ook gerekend kunnen worden die gevallen waarbij een datier van een pers. vn gevolgd wordt door liever (of: eer): gi sweget mi liever (‘Ik had liever dat u zweeg’) (MNW: liever), |
| 8 | Een enkele keer staat een bw. bep. van tijd, plaats of omstandigheid in de datief (zonder voorzetsel dus):
den derden daghen (‘op de derde dag’) (Stoett, 191). |
Dit is de vorm voor:
| 1 | Het eerste object (l.v.) bij een werkwoordelijk gezegde:
Dese twe wonnen een cnapelijn (‘Deze twee kregen een zoontje’) (31), |
| 2 | Een bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord dat als nw. deel van het gezegde fungeert. Je zou hier ook van een eerste object bij een nw. gezegde kunnen spreken. Gewoonlijk staat een dergelijke bepaling/object |
in de genitief (zie aldaar). Slechts een enkele keer wordt de accusatief gebruikt. Er is dan meestal sprake van een prijs of gewicht:
soe ware mi waerd wel neghene grote (‘ze (de stof) was mij wel negen schellingen (per el) waard’) (19). |
|
| 3 | Een groep die door een voorzetsel wordt voorafgegaan (zie De datief, punt 3):
Alse enech dinc valt in die oren (30), |
| 4 | Verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen, zoals die van plaats (met name wanneer er van een af te leggen of afgelegde afstand sprake is) en van tijd (met name die van tijdsduur):
Dus es hi ene mile gereden (20), |
Het onderwerp in een mnl. zin kan zijn:
| 1 | Een zn(-groep), soms voorzien van een bijstelling of een predicatieve toevoeging:
Die coninc vraecht (...) (7),Soms is de groep gesplitst: Om ene andre sake es dit werc oc swar dat ic ondersta (21),Het ond. wordt soms hervat in een voornaamwoord: Dese iuede hi hadde (...) (10), |
| 2 | Een vn (ic, dat, niemen, sulc, enech, enz.), soms in enclitische vorm (seidi = seide hi) of door enclisis opgegaan in een ander woord (dat = dat het).
Een vn kan evenals een zn van nabepalingen vergezeld zijn:of van bijstellingen. Drie bijstellingen bij één vn treffen we aan in: Jc jan here van arkele ridder make cont (...) (17).Een vn kan hervat worden in een zn-groep of een bijzin: dan (= dat en) ware niet goet Dat wi vochten (14). |
| 3 | Een tw(-groep):
Dese twe wonnen een cnapelijn (‘Deze twee (mensen) kregen een zoontje’) (31), |
| 4 | Een bijzin:
di werd nog wel in inne wat waar ofte logene es (‘Het wordt jou nog wel duidelijk wat waarheid en wat leugen is’) (6).Een bijzin kan worden hervat in een vn: we (‘wie’) dien anderen tosegede, dat hy geen goet man en were, |
| 5 | Een bijvoeglijk naamwoord fungeert als onderwerp in:
Nochtans so es beter quaet dan noch arger (30). |
| 6 | En soms kan zelfs een hoofdzin als onderwerp fungeren:
Het scient wel gi mint mi clene (14).Als plaatsonderwerp of aankondiger van het eigenlijke onderwerp wordt het gebruikt (in nnl. vaak ‘er’): Het lach een wijf van frisschen zinne (8),Het voorlopig onderwerp is eveneens het: Hets recht (...) Dat hi ontgaet hare beten (2). |
Het onderwerp ontbreekt:
| 1 | In zinnen met een gebiedende wijs (als in nnl.):
gaet hier beneden (10). |
| 2 | Hierbij horen ook zinnen met een 1e of 3e persoon gebiedende wijs, die de betekenis van een aansporing bevatten (adhortatieve zinnen):
Ende daerna so hale sinen adem zere in (‘En laat hij daarna diep inademen’) (30). |
| 3 | Door samentrekking (als in nnl.):
Die iode namen dat maechdeken (...) ende leident (...) (32). |
| 4 | In zinnen waar het ond. uit de context moet worden afgeleid. Deze voor ons gevoel ‘foute samentrekkingen’ komen in mnl. teksten meer voor dan in nnl. teksten:
Dit was Reinaerde ombequame ende verbalch hem (‘Dit was Reinaart onaangenaam en hij werd boos’) (Stoett, 5h). |
Daar deen biden andren lach Ende spraken tegader hemelike (‘terwijl de een bij de ander (in bed) lag en ze stilletjes samen aan het praten waren’) (31).In de volgende zinnen is het ond. in het eerste deel een onbepaalde zn-groep; in het tweede deel moet je deze groep, maar nu wel bepaald, als onderwerp aannemen: Dat (...) Een coninc was, ende hiet Briant (12),De onbepaalde zn-groep kan ook (deel van) een ander zinsdeel dan het onderwerp zijn: Ende hi voer jagen op enen tijt In een wout was herde wijt (12). |
|||||||
| 5 | Bij de werkwoorden noemen, seggen, spreken en nog enkele, vooral na ende:
tSwaert was van sneden goed ende segge u dat inwaert woet (‘Het zwaard was scherp van snede en ik zeg u dat het het lichaam binnendrong’) (Stoett, 5e). |
||||||
| 6 | Als er geen ond. bij de genoemde handeling (of het gebeuren) valt aan te wijzen:
Also was reynaerde ghesciet (‘Zo was het met Reinaart gegaan’) (Reinaert, regel 54). |
||||||
| 7 | In zinnen waarin het ww (of de werkw. uitdrukking) onpersoonlijk gebruikt is. Evenals in zinnen van type 6 valt ook hier geen onderwerp aan te wijzen. Onpersoonlijk gebruikte werkwoorden komen voor op drie gebieden:
|
|
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit een pv., al dan niet aangevuld met een volt. deelw. en/of een of meer infinitieven. Als het gezegde bestaat uit meer dan één werkwoordsvorm, zal er bijna altijd sprake zijn van een van de volgende hulpwerkwoorden:
| 1 | van tijd: hebben, sijn en sullen:
du heves evele misdaan (6),In het laatste voorbeeld is het tweede deel van de nevenschikkende groep lesen ende hoeren lesen afgesplitst en na het hww van tijd (selen = zullen) geplaatst. (Ook in tekst 17 treffen we een dergelijke ‘formule’ aan.) In zinnen met het zww hebben kan naast het eerste object (l.v.) een bep.v.gest. voorkomen in de vorm van een volt.deelw. Verwarring met een voltooide tijd is dan mogelijk. Si hevet hem ghemintkan twee betekenissen hebben: a ‘ze heeft hem bemind (maar dat is nu voorbij)’, en b ‘ze houdt van hem/ze heeft hem lief’. De context moet beslissen voor welke betekenis je kiest: een diere swert soe had hi. gegort ane sine side (24).Omdat hier niet sprake is van een activiteit die het ond. heeft uitgevoerd (gorden), maar van een persoonsbeschrijving, ligt het voor de hand de groep gegort ane sine side hier als bep.v.gest. op te vatten. |
| 2 | van de lijdende vorm: werden en sijn:
(...) van desen brieve die wart ghegheven (...) (17),De ‘door-bepaling’ in een lijdende zin (vgl. nnl.: ‘Jan is geslagen door |
Piet’) wordt in het mnl. vaak ingeleid door met (zie bovenstaand voorbeeld), bi of van:
(...) des vierden dages wert si vanden visschers gevonden (32). |
|
| 3 | van modaliteit (de wijze waarop de handeling zich verhoudt tot de werkelijkheid: wenselijkheid, mogelijkheid, noodzakelijkheid, enz.): De modaliteit kon in het mnl. uitgedrukt worden door de conjunctiefvormen van het ww te gebruiken (zie blz. 35/36), maar daarnaast ook door het gebruik van bepaalde hulpwerkwoorden. Soms is het moeilijk uit te maken of we met een hww van mod. te maken hebben of met een zww met een inf.(-groep) als object. Het laatste is zeker het geval in:
Can hi lesen enen brief (28).Met enige voorzichtigheid kun je zeggen dat als hww van mod. voorkomen: willen, mogen, sullen, moeten, dorren en hebben te: God moet bederven u lijf (‘God moge u ten onder laten gaan’) (22) |
| 4 | van aspect (de wijze waarop de handeling zich verhoudt tot de tijd; begin, einde of duur van de handeling worden benadrukt): We onderscheiden ingressief, duratief en perfectief aspect, die respectievelijk betrekking hebben op het begin, het voortduren en het voltooien van de handeling. (N.B. het ingressieve aspect wordt in het Wdb. vaak ook perfectief genoemd: gericht op het einde van het begin: het perfectieve sitten betekent ‘gaan zitten’.) Soms ligt het aspect van een ww in de betekenis besloten, zoals bij sitten (‘zitten’, maar ook: ‘gaan zitten’). Vaak wordt een aspect van het ww benadrukt door er een voorvoegsel voor te zetten (ge-, ver-, ont-, be-). Zo kan ge- bijvoorbeeld de nadruk leggen op de voltooiing van de handeling: seggen tegenover geseggen (in can u niet geseggen = ik kan u niet volledig vertellen). Het aspect kan ook worden uitgedrukt door bepaalde hulpwerkwoorden te gebruiken: pleghen (duratief), beginnen, varen en gaen (ingressief): .xv. jaer pleghet si te levene (2),In het Nieuwnederlands beschouwen we de werkwoorden zitten, staan, liggen, hangen, en dergelijke in zinnen als ‘Hij zit te werken’ als een hww van aspect. Deze constructie wordt in het mnl. niet gebruikt. In plaats daarvan lezen we in het mnl. hi lach ende sliep dat wij vertalen met ‘hij lag te slapen’. In het mnl. is lach (sat, enz.) dus nog geen hulpwerkwoord, maar moet het als een zelfstandig werkwoord beschouwd worden: het leedt en screyt opten outaer (‘het ligt te schreien op het altaar’) (9). |
| 5 | van causaliteit: laten en doen:
Nobel die coninc hadde ghedaen sijn hof crayeren ouer al (‘had een hofdag laten uitroepen’) (Reinaert, regel 44/45).Deze werkwoorden hebben in het mnl. duidelijk een grotere |
zelfstandigheid dan in het nnl. De oude constructie pv. + part. + inf. (zie voorbeeld) heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot pv. + inf. + inf., waarbij de nieuwe inf. naar achteren is gegaan (‘Nobel heeft een hofdag laten uitroepen’). A.M. Duinhoven heeft over deze ontwikkeling een artikel geschreven in Spel van Zinnen. Album A. van Loey, Bruxelles 1975.
Nog enkele voorbeelden van een causaal hww uit de teksten: (dat) zal se u doen vercoopen (19), |
|
| 6 | van de gebiedende wijs: De gebiedende wijs kan worden omschreven door een van de werkwoorden sullen, vanden, wanen of willen:
Di ontbiedt Jezus Kerst dattu zuls gaan varen (6), |
| 7 | omschrijvend: Soms worden pleghen/plien en doen als omschrijvende hulpwerkwoorden gebruikt, zoals nu nog in sommige dialecten (vgl. ook het Engels):
Dats dat hi te segghene pliet (Dat is wat hij zegt') (1), |
Soms vormt een werkwoord met een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord een werkwoordelijke uitdrukking (vgl. nnl. ‘koffiezetten, liefhebben’). Zo komen we in onze teksten bijvoorbeeld tegen: waen hebben (1), gheware werden (10), goem nemen (12), en cont maken (17).
Als koppelwerkwoord komen in de volgende teksten voor: sijn (wesen), bliven, werden, schinen, heten en dunken. De woorden/woordgroepen waaruit het naamwoordelijk deel kan bestaan, zijn:
| 1 | Een zn(-groep):
ic hete selve Mariole (12), |
| 2 | Een zn(-groep) in de gen., waarmee een bezitsrelatie wordt uitgedrukt:
dit huis (...) sel bliuen altoes des scraven van hollant (17), |
| 3 | Een vn(-groep):
Wat (= wat het) ware dat hi jagede (‘Wat het was, waar hij achteraan zat’) (16) |
Hi gincse haer bi namen nomen, Hoe si hieten ende wie si waren, Die den coninc wilden daren (16).Het naamwoordelijk deel in het volgende voorbeeld kan opgevat worden als een gen. van het pers. vn of als een bez. vn (is voortgekomen uit de gen. van het pers. vn): Dlant was alle gader sijn (‘van hem/het zijne’) (Karel ende Elegast, regel 6). |
|
| 4 | Een bn(-groep) of deelw. (-groep):
die iagere waren blide (24),Ook een stoffelijk bn kan naamw. deel zijn: Alle der sieker cleder die wulline sin (‘van wol’) (27), |
| 5 | Een tw(-groep):
Hi las dat hemelen waren drie (6). |
| 6 | Een bw(-groep):
Hen (= Het en) sal also nit heeten (21), |
| 7 | Een woordgroep die met een voorzetsel (meestal van) begint:
sijn horen was van goude (24), |
| 8 | te + infinitief(-groep):
Dants (= Dat en es) te ghelovene meer no min (‘Dat kun je beslist niet geloven’) (1), |
| 9 | Een bijzin:
Dats dat hi te segghene pliet (‘Dat is wat hij zegt’) (1). |
Literatuur over het nw. gez.: A.M. Duinhoven, ‘Veranderingen in het predikaatsnomen’ in Leuvense Bijdragen 65 (1976). De schrijver tracht in dit artikel een verklaring te geven voor het feit dat sommige woorden en woordsoorten vroeger wel en nu niet meer als nw. deel worden gebruikt.
Bij een ww kunnen twee objecten voorkomen:
| - | Het eerste object, dat in de accusatief of genitief staat als het een zn(-groep) of een vn(-groep) is; deze groep valt zo ongeveer samen met het huidige lijdend voorwerp, oorzakelijk voorwerp en voorzetselvoorwerp. |
| - | Het tweede object, dat in de datief staat als het een zn(-groep) of vn(-groep) is; deze groep valt zo ongeveer samen met het huidige meewerkend voorwerp (inclusief het belanghebbend voorwerp). |
De verhouding tussen een eerste object en een ww kan van verschillende aard zijn. Zo zegt men wel dat het huidige l.v. de handeling ‘ondergaat’ of dat het door die handeling ‘voortgebracht wordt’. Dit geldt in veel gevallen ook voor het object in de accusatief in het mnl.
Tussen een genitiefobject en het ww bestaan in oorsprong andere relaties. De belangrijkste van deze semantische relaties zijn:
| 1 | De handeling strekt zich uit over een deel van wat door het object genoemd wordt (een partitieve genitief):
hi at des honechs (Stoett, 167). |
| 2 | Het object is de oorzaak van de handeling (een causale genitief):
(si)dankdens (= dankden des) Gode (‘ze dankten God ervoor’) (21). |
| 3 | De handeling bewerkt verwijdering van het object (een seperatieve genitief):
gi wilt mins quite wesen (‘u wilt me kwijt zijn’) (14). |
In het mnl. is het naamvallensysteem echter al op zijn retour. De functie van de naamvallen wordt overgenomen door andere (vnl. syntactische) middelen, zoals de vastere woordvolgorde en het ruimere gebruik van voorzetsels. Deze ontwikkeling merken we ook op bij het genitiefobject. Werkwoorden die in een ouder stadium uitsluitend een gen.object bij zich hebben gehad, komen in het mnl. ook al voor met een accusatiefobject of met een groep ingeleid door een voorzetsel. Zo komen b.v. bij gome nemen (‘aandacht schenken aan’) alle drie de mogelijkheden voor:
dier hi nam goem (‘aan wie hij aandacht schonk’; 2e nv.) (12),
Soe (...) nam goom den boom (‘zij zag de boom’; 4e nv.) (MNW: gome),
daer moet ic op nemen goom (MNW: gome),
Te hare wert namic nauwe goom (MNW: gome).
In de laatste twee voorbeelden zien we omschrijvingen met voorzetsels. We zien daar ook dat het vz nog niet zo vast is als bij het huidige voorzetselvoorwerp.
Het oude genitiefobject heeft zich in de loop der eeuwen op twee manieren ontwikkeld:
| a | Het verloor zijn genitiefuitgang en was toen niet meer te onderscheiden van een l.v. (een o.v. in een naamwoordelijk gezegde):
Hi bat des brodes naast Hi bat dat broot, en |
| b | De functie van het gen.object werd overgenomen door een groep die door een vz werd ingeleid. Van deze mogelijkheid wordt in het mnl. al volop gebruik gemaakt. Naast het gen.object is bijna altijd al een omschrijving met behulp van een vz mogelijk. Het vz is nog niet erg ‘vast’; het wordt dat pas in de loop van de tijd. De syntagmatische en paradigmatische eigenschappen waardoor het moderne voorzetselvoorwerp zo zeer |
|
gekarakteriseerd wordt, zijn in het mnl. nog niet of nauwelijks aanwezig. Het is daarom ook een anachronisme om in het mnl. over een v.v. te spreken. Dat bestaat nog niet. Ik spreek over een bijw. bep. als het woord of de groep door een vz wordt ingeleid. Op grond van de betekenis van het ww kan de bijw. bep. nader gespecificeerd worden. Zo ligt bij hem schamen een bep. van causaliteit voor de hand en bij langen (‘verlangen’) een bepaling van doel. Bij sommige werkwoorden zijn in het nnl. beide mogelijkheden aanwezig, soms met verschil in betekenis; zo b.v. ‘verlangen’ naast ‘verlangen naar’, ‘vertrouwen’ naast ‘vertrouwen op’, enz. Ook bij het nw. gez. zijn beide mogelijkheden soms aanwezig. Zo zijn bij ‘zich bewust zijn’, dat vroeger een gen.object bij zich had, nu zowel een o.v. als een v.v. mogelijk: ‘Hij is zich zijn verantwoordelijkheid bewust’ naast ‘Hij is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid’. |
Bij een nw. gez. bestaan in principe dezelfde mogelijkheden als bij een ww. gez. De verschillende grammatici zijn het er echter niet over eens of het object bij een nw. gez. gezien moet worden als een deel van het naamw. deel of als een afzonderlijk object. (Vgl.: ‘Hij is dol op een ijsje’: nabepaling bij ‘dol’ of v.v.? ‘Hij is de stad meester’: bepaling bij ‘meester’ of o.v.?). Ik zal het hier steeds als een apart object beschouwen (zie ook blz. 41).
De gezegdes waarbij een genitiefobject in het mnl. mogelijk is, kunnen verdeeld worden in de volgende groepen:
| 1 | De gezegdes die een partitieve genitief bij zich hebben:
|
||||||||
| 2 | De gezegdes die een causale genitief bij zich hebben:
|
|
|||||||
| 3 | De gezegdes die een seperatieve genitief bij zich hebben:
|
Dan volgt nu een overzicht van de vormen waarin het eerste object (zowel dat in de accusatief als dat in de genitief) kan voorkomen:
| 1 | Een zn(-groep):
|
|
|||||||||||
| 2 | Een vn(-groep):
|
||||||||||
| 3 | Een hoofdzin:
|
||||||||||
| 4 | Een bijzin:
vraegt uwen here of hi wille iet (10), |
| 5 | Een infinitief of infinitiefgroep (beknopte bijzin):
Die vele bat derschen can (‘Die veel beter kan dorsen’) (20), |
| 6 | Een woordgroep die met van begint. Dit is in het nnl. ook mogelijk (‘Ik wil van die groene’):
soe leide Noe in die arke vanden instrumente die ghesmeet waren vanden tide dat Adam was (Sidrac, antwoord 91).Dit type staat erg dicht bij de objecten in de partitieve genitief. |
| 7 | Een telwoord(groep):
ende vergaderden op hoer veel steens (‘en verzamelden/wierpen veel brokken steen op haar’) (32).Het woord steens staat in de gen. en is een nabepaling bij veel. |
| 8 | Twee bijvoeglijke naamwoorden, nevenschikkend verbonden, doen dienst als object in:
Ende en (= het en) cost hem nochtan groet no smal (‘En het kost hem toch helemaal niets’) (28). |
Het tweede object in het mnl. is te vergelijken met het nnl. meewerkend voorwerp. Het staat als regel in de datief. Het aantal gezegdes dat in het mnl. een tweede object bij zich kan krijgen, is echter groter dan het aantal nnl. werkwoorden met een m.v.
Op grond van syntactische en semantische kenmerken van het tweede object en zijn ‘omgeving’ kun je twee hoofdgroepen onderscheiden, die elk weer in drie groepen onderverdeeld kunnen worden:
| 1 | Naast het tweede object is er een eerste object in de zin aanwezig of kan erbij gedacht worden.
|
|
|||||||
| 2 | Naast het tweede object is geen eerste object in de zin aanwezig.
|
|
Zoals uit de voorbeelden blijkt, verschijnt het tweede object vrijwel altijd in de vorm van een zn(-groep) of een vn(-groep); een enkele keer in de vorm van een bijzin (zie vb. onder 2, b).
Deze bepalingen worden eerst op grond van hun bouw in groepen verdeeld, en daarna op grond van hun semantische eigenschappen verder onderverdeeld. Bijna alle soorten bijw. bep. kunnen gevolgd worden door een hervattend woordje (daer, so of dan).
De bijw. bep. kan bestaan uit:
| 1 | Groep ingeleid door een voorzetsel
|
|
|
|||||||||||||||||
| 2 | Bijwoord (groep)
|
|
|||||||||||||
| 3 | Voornaamwoordelijk bijwoord(groep)
|
||||||||||||
| 4 | Zelfstandig naamwoord (groep)
|
||||||||||||
| 5 | Bijzin
|
|
|||||||||||||||
| 6 | Beknopte bijzin (infinitief- of deelwoordgroep)
|
|
|||||
| 7 | Een zin met de woordorde van een hoofdzin
|
De bepaling van gesteldheid wordt verdeeld in twee groepen:
1 De resultatieve werkwoordsbepaling
De bepaling van gesteldheid ‘volgens de handeling’ komt voor bij werkwoorden als achten, noemen, heten, enz. Die ‘ten gevolge van de handeling’ komt voor bij werkwoorden als maken, breken, sieden, enz. Dit soort bep.v.gest. zegt meestal iets van het lijdend voorwerp. Tussen het l.v. en de res.ww.bep. bestaat een verhouding als tussen onderwerp en naamwoordelijk deel.
De resultatieve werkwoordsbepaling komt voor als:
| a | Bn(-groep):
Ende al ne rekent mense niet so diere (‘al beschouwt men ze als niet zo kostbaar’) (2),Soms is het l.v. een wederkerend voornaamwoord: Hi wilt hem houden nu al stille (‘Hij wil zich nu rustig houden’) (18),Een res.ww.bep. in een beknopte bijzin (infinitiefgroep): om dewangelie cler te makene (‘om het evangelie duidelijk te maken’) (21). |
| b | Zn(-groep):
ende hietent Zacharias na sinen vader (21), |
| c | Groep ingeleid door een voorzetsel:
ende dat sedt te weycke (‘en zet het in de week’) (5),Het vz te moet in het nnl. soms door ‘als’ worden weergegeven: die (dit) dichte Om te sendene teere (= te enere) ghichte (1),Soms hoort de res.ww.bep. niet bij het l.v., maar bij het ond., met name vaak in de lijdende zin; vgl.: ‘Ik kook het tot moes’ en ‘Het is tot moes gekookt’. Twee voorbeelden (waarvan de eerste als een lijd. zin beschouwd kan worden): hoe dat des sceepers scape verwandelt waren in sprinkellen (‘hoe de schapen |
van de herder in sprinkhanen veranderd waren’) (9), |
|
| d | Bw(-groep): Bijwoorden in deze functie zijn vaak ontstaan uit een vroegere groep die door een vz werd ingeleid. Zo is b.v. tegader ontstaan uit te + gadere (‘tot een paar, samen’): Want het doet de lippen vanden wonden te gadere heilen (‘want het laat de kanten van de wonden naar elkaar toe trekken’) (23), |
2 De predicatieve toevoeging
De bepaling van gesteldheid ‘tijdens de handeling’ kan bij iedere zelfstandigheid in de zin horen. Ze kan zinsdeel en zinsdeelstuk zijn. In een woordgroep met een bijvoeglijk naamwoord na een zelfstandig naamwoord in rijmpositie (die coninc wert 18) is het soms moeilijk uit te maken of er sprake is van een nageplaatste bijv. bep. of van een predicatieve toevoeging. (Vgl.: ‘De dronken man stommelde de trap af’ en ‘De man, dronken, stommelde de trap af’.) Als er geen semantische argumenten tegen pleiten, zullen we een nageplaatst bijvoeglijk naamwoord als een pred. toev. beschouwen.
De pred. toevoeging kan bestaan uit:
| a | Bn(-groep) of deelw.(-groep):
Die hont wort geworpen blent (2),Een deelwoord kan op grond van zijn verbale valentie meer en andersoortige bepalingen bij zich krijgen dan een bn: neemt dan broot dunne ghesneden (5), |
| b | Zn(-groep). Dit type pred. toev. wordt ‘bijstelling’ genoemd. Een bijstelling is altijd zinsdeelstuk:
Florens Grave van hollant die groet (...) (17),Een vn met drie bijstellingen: Jc jan here van arkele ridder make cont (17). |
| c | Bijzin. We hebben dan te maken met de zogenaamde ‘uitbreidende’ bijvoeglijke bijzin. Ook deze is altijd zinsdeelstuk:
God die boven al es vroet (...) (1), |
| d | Zin met de woordorde van de vragende zin:
Der vrouwen list es menichvout Sijn si jonc oft sijn si out (‘... of ze nu jong of oud zijn’) (16). |
| e | Vn(-groep):
Die susteren sullen (...) een yghelick een boeck bidden (3) |
| f | Tw(-groep):
(hondert scellen groot) Die alle sijn van goude root (‘die allemaal van rood goud zijn’) (16). |
| g | Groep ingeleid door een voorzetsel:
soe vinden sy die peerlen na de wise van enen stucke vleesch (‘dan vinden ze de parels die (dan) zo zacht zijn als een stuk vlees’) (7). |
| h | Groep ingeleid door als:
(sijn ere) Die hi lange hadde als here Gehouden (18),Als kan ook de betekenis ‘namelijk, te weten’ hebben. twe brueders van der prediker oerde als Reynerus ende Egydius (32), |
Los van de syntactische structuur van de zin staan:
1 De aanspreking
Als aanspreking kunnen dezelfde woorden en woordgroepen fungeren als in het nnl. De kern van dit zinstype is vaak een zn. Een voornaamwoord alleen komt in de volgende teksten in deze functie niet voor, hoewel het in het mnl. wel mogelijk is:
Hore harewaert, du! (‘Hoor hier, jij’) (MNW: du).
Ook komt voor de combinatie vn + zn (-groep):
Du oude geck, God moet bederven u lijf (22).
Het zn heeft in deze functie van aanspreking geen lidwoord bij zich:
Scoon heere, ic belove mi van u (‘Waarde heer, ik betuig u mijn dankbaarheid’) (19),
Warumbe pute wat doen si dan (‘Waarom, slet, wat doen ze dan’) (10),
Synt vant gebraden coninc (‘Snijd van het gebraad, koning’) (13).
Soms wordt een ‘zaak’ aangesproken:
Ic bezweere di, schicht (...) dattu mi niet en scietes (‘Ik bezweer je, pijl, dat je me niet raakt’) (11).
Vaak is het zn een eigennaam:
Clarette dit was wel gedaen (20),
Neemt doch lief leeuken tspit vant vier (‘Neem het braadspit toch van het vuur, lieve kleine Leo’) (13),
of is er sprake van een zn in combinatie met een eigennaam:
her keye v tale Es quaet (20).
Ook woorden die een functie uitdrukken kunnen in combinatie met her e.d. als aanspreking dienst doen:
Her coninc, gi sijt hier al in een Met uwer feest (29).
Aan het zn kan natuurlijk ook een bijstelling toegevoegd zijn:
Joncfrouwe, live vrindinne (12).
De zn-groep kan nevenschikkend verbonden zijn met een andere zn-groep of vn-groep. In de volgende aanspreking verbindt het eerste ende de twee bijv. bepalingen bij coninc (versaect en oec blode), het tweede ende de zn-groep Versaect - blode met de vn-groep die - u.
Versaect coninc ende oec blode, Ende die hier sitten bi u (29).
De aanspreking kan worden voorafgegaan door een tussenwerpsel (net als in het nnl.: ‘Zeg Piet (...)’):
O lieve vriend Brandaan (6),
ay soete venis, goddinne van der minne (11).
2 Het tussenwerpsel
Het tussenwerpsel kan een woord of een woordgroep zijn. Dit zinstype komt voor in combinatie met een aanspreking (zie bovenstaande voorbeelden) en zelfstandig:
Wel an, ic wil de wareit weten (8).
Soms wordt het tussenwerpsel gevolgd door een vn:
Ay mi (8).
In het volgende voorbeeld staat ook live God syntactisch los van de zin. Deze groep wordt ook als een tussenwerpsel beschouwd:
Ay mi sprac hi live God Hoe dul es hi ende wel sot Die wiven geloeft nembermere (14).
Een vn of zn-groep na een tussenwerpsel kan in de genitief staan (gen. van oorzaak):
Fi der scanden (Stoett, 177).
De bouw van de zn-groep in het mnl. is grotendeels gelijk aan die van de zn-groep in het Nieuwnederlands. Net als in het nnl. kan de kern (het zelfstandig naamwoord) worden voorafgegaan door:
| - | eerstegraads-bepalingen: vnl. bijvoeglijke naamwoorden en deelwoorden; |
| - | tweedegraads-bepalingen: telwoorden; |
| - | derdegraads-bepalingen: voornaamwoorden, eigennamen in de genitief en zn-groepen gevolgd door sijn of haer (vgl.: ‘zijn boek, Jans boek, Jan z'n boek’). |
| - | al en sulc/so (en varianten van deze woorden) als voorbepalingen van de hoogste graad. |
Een voorbepaling in een zn-groep kan zelf ook weer een bepaling bij zich hebben (vgl.: ‘die heel oude man’). Enkele voorbeelden van mnl. zn-groepen:
sine ghetrouwe portre (17),
1. roden zidinen draet (23),
Die vierde graet (26),
Al die zee (18),
sulc enen clanc (16).
Tussen een bez. vn en een zn kan een objectsrelatie of een subjectsrelatie bestaan. Zo kan harre minne betekenen ‘de liefde voor haar’, maar ook ‘de liefde van haar’. In tekst 12 is er duidelijk sprake van een objectsrelatie:
Doen (...) Werd hi ontsteken van harre minne (12).
Door situatie en/of context kunnen net als in het nnl. verschuivingen optreden in de rangorde van de bepalingen:
dese vorseide x jaer (15),
den heleghen .v. wonden (11).
Evenals in het Nieuwnederlands kunnen als nabepalingen voorkomen:
| a | zn-groep als bepaling van identificatie:
lieve vriend Brandaan (6),of als bepaling van specificatie (vgl.: ‘een kop koffie’). Deze bepaling verschijnt vaak in de genitief (part.gen.): eenen goeden deel suyckers (5). |
| b | zn(-groep) in de genitief, die geen bep. van identificatie of specificatie is. In het nnl. treffen we in dit geval een zn-groep aan die met der of des begint (‘de taal der dieren’), of een groep, ingeleid door een voorzetsel (‘de taal van de dieren’):
die sceppenesse des dierkens (‘de vorm van het diertje’) (9).Natuurlijk kan de zn-groep die nabepaling is, zelf ook weer een nabepaling bij zich hebben (een bijzin in het volgende voorbeeld): (om) de lieuede mijns vrinds diese dede met groten ernste (21). |
| c | voornaamwoordelijk bijwoord:
die orberlijcheit daer af (‘het nut daarvan’). |
| d | telwoord als bepaling van identificatie:
(in)t jair ons heren MCC ende LXI (32),waarin ons heren een eerste nabepaling is. |
| e | een groep ingeleid door een voorzetsel:
al de jueden van der stat (31), |
| f | een zn(-groep) of een vn(-groep), ingeleid door een voegwoord:
enech dinc (...) alse coren of stene of dies gelike van andren dingen (‘een voorwerp zoals een graankorrel of een pit of iets dergelijks’) (30). |
| g | een bijzin, ingeleid door een betr.vn, een bijwoord, een vn. bw of een voegwoord:
een scolierken, die een lesse soude singhen op enen kersnacht (9), |
(bi) den viere daar die boek in bernende lag (‘bij het vuur waarin het boek lag te branden’) (6), |
Ook vrije bepalingen (bijwoorden die zowel vóór als achter het zn kunnen staan) kunnen deel uitmaken van een zn-groep:
alene hare euel (‘alleen hun kwaal’) (27),
wel die .ij. deel van minen rike (‘ruim twee derde van mijn rijk’) (22),
demeeste Here. ende de rijcste mede (‘de belangrijkste en tevens de rijkste man’) (31).
Omsluitende bepalingen: Deze bestaan uit een voorbepaling en een nabepaling die van de voorbepaling (of van een deel daarvan) afhankelijk is:
(Van) so menighen creaturen Als in desen boeken staen (1),
Die scoonste (sadel) die nie man sach (‘Het mooiste zadel dat ooit iemand gezien had’) (16),
Els negene dinc (begerde) dan si Den genen mochte hebben (...) (‘Anders niets begeerde dan dat zij diegene mocht bezitten...’) (4).
De mnl. zn-groep kan wat bouw betreft ook afwijken van het nnl. De belangrijkste afwijkingen worden hieronder vermeld:
| 1 | Het lidwoord ontbreekt daar waar je het wel verwacht. Dit komt onder meer voor bij namen die enig in hun soort zijn (op eerterike 7), bij namen van talen, volken en aardrijkskundige eigennamen (In dietsch 1), in ontkennende zinnen (Daer ave en wiste moederbaren 18), in vaste uitdrukkingen, vooral na een vz (met nachte 18), vóór een rangtelwoord (tebringene met hem derdendel uan al den goede 27), en vóór het woord ander (Het es ander dinc dat u deert 16). |
| 2 | Het lidwoord staat daar waar je het niet verwacht. Dit komt onder meer voor bij stofnamen (Root als een bloet, Stoett 96), bij abstracte woorden (Doe quam hem an een vaec, Stoett 96), vóór eigennamen in de genitief (In des Diderics tiden, Stoett 95) en vóór eigennamen voorafgegaan door een titel (Die coninc Artur hilt hof, Stoett 95). |
| 3 | Soms gaat een telwoord (een tweedegraadsbepaling) vooraf aan een derdegraadsbepaling (meestal een vn). We krijgen dan een constructie als:
een mijn lieue vrint (21).Deze groep is op twee manieren te interpreteren: a ‘een goede vriend van mij’, en b ‘een van mijn goede vrienden’ (partitief). Evenzo is:te interpreteren als: a ‘de diadeem die de allerbeste is (er is geen betere)’, en b ‘een diadeem die tot de beste diademen behoort (hij maakt deel uit van een groep beste diademen)’. Vaak moet de context (of de situatie) |
| bepalen aan welke interpretatie de voorkeur gegeven moet worden. (Zie hierover A.M. Duinhoven, ‘Een de vrijtste ende edelste man vander werlt’ in N.Tg 1972.) | |
| 4 | Het bijvoeglijk naamwoord staat na het zn. Dit komt eigenlijk alleen maar in het rijm voor:
hondert scellen groot (16),Het is soms moeilijk uit te maken of er sprake is van een nageplaatst bn of van een predicatieve toevoeging: Hier beghint de prologhe cort ende goet (31). |
| 5 | Ook het telwoord kan in rijmpositie na het zn komen. In het volgende voorbeeld is de eerste zn-groep echter opmerkelijk: ook daar achterplaatsing van het telwoord, terwijl er toch geen sprake is van rijmpositie. (Dit probleem komt ook ter sprake in ‘Een tekstkritische excursie’ na tekst 18.)
Joncfrouwen .ii. ende cnapen viere (18).Misschien is er verwantschap met de telwoordgroep waarin het tw door een zn-groep in de genitief (part.gen.) wordt voorafgegaan: (Daer ghescieden) der mieraclen twee (Stoett, 104).Bij deze gevallen wordt het zn echter altijd door een lw of een vn voorafgegaan. |
| 6 | Ook het ontkennend lidwoord kan in rijmpositie na het zn staan:
(dat nes) logene gene (22). |
| 7 | Evenals het bezittelijk voornaamwoord. Het zn wordt dan voorafgegaan door een lidwoord:
(met)ten heere mijn (10), |
| 8 | Een zn (-groep) of vn in de genitief kan als derdegraads-voorbepaling fungeren. Dit is in het nnl. alleen maar mogelijk bij eigennamen en als eigennamen fungerende zelfst. naamwoorden: ‘vaders jas, Piets fiets’.
des zeewes baren (‘de golven van de zee’) (6),N.B. Het lw in het eerste en derde voorbeeld behoort dus bij de voorbepaling en niet bij het kernwoord. Als de zn-groep die als bepaling fungeert, zelf een nabepaling heeft, komt die na het kernwoord: om des kindekens wille, daer ghi ons af hebt gheseyt (9). |
Hoewel een voornaamwoord in veel opzichten verwant is met een zn-groep, zijn er op het punt van de groepsvorming wel verschillen. De mogelijkheid van voorbepalingen (zowel aantal als soort) is veel geringer.
De vn-groep daarentegen kan een bijwoord als voorbepaling hebben, wat in de zn-groep niet mogelijk is.
Als voorbepaling kunnen dienst doen:
| a | lidwoord:
eenen yegheleecken (diese sach) (9). |
| b | bijwoord:
luttel iement (‘bijna niemand’) (18).So vóór een vn heeft een algemeen makende kracht. So wie betekent: ‘wie dan ook’. |
| c | al: Net als bij de zn-groep kan al als bepaling van de hoogste graad optreden:
alle den ghenen die desen brief sien sullen ofte horen (17). |
Nabepalingen:
| a | zelfstandig naamwoord: Blijkens de verbuiging van het zn (part.gen.) is wat het kernwoord in: wat souts (5). |
| b | bijvoeglijk naamwoord: Evenzo veroorzaakt yet een (part.) genitief van het bn in: yet onrechtes (3). |
| c | voornaamwoord:
wats (= wat des) gesciet (letterlijk: ‘wat daarvan (of ‘met betrekking daartoe’) gebeurt’) (14). |
| d | groep die met een voorzetsel begint:
die van dien lande (‘de mensen van het land’) (7), |
| e | groep die met een voegwoord begint:
niet dan goet (‘niets dan goede dingen’) (MNW: niet). |
| f | bijzin ingeleid door een betr. vn of een voegwoord:
elken die hier in lesen sal (3), |
| g | telwoord: De groep persoonlijk voornaamwoord + telwoord kan op drie manieren geïnterpreteerd worden. si sevenekan betekenen: a ‘zij met z'n zevenen’, b ‘zeven’ en c ‘zeven van hen’ (een partitieve interpretatie van het vn si dus). Uit de context en/of situatie moet de juiste betekenis afgeleid worden: (Tebagharac (...) Woenden) si twe (31).Of er inderdaad sprake is van een vn als kern en een telwoord als bepaling, is moeilijk te bewijzen. (Zie over dit type woordgroep: A.M. Duinhoven, ‘Vier partitieve (?) constructies in het Middelnederlands’ in N. Tg. 65 (1972).) |
Vrije bepalingen:
sy oec (7).
Een omsluitende bepaling hebben we in:
el niemene dan mi (‘niemand anders dan mij’) (11).
Voorbepalingen: