Het Nibelungenlied beschouwt men als het beroemdste epos van de Middelhoogduitse literatuur. Het zal kort na 1200 zijn ontstaan en het is van de 13e tot de 16e eeuw bijzonder populair geweest. Het gedicht heeft een geheel eigen strofenbouw: strofen van vier regels met gepaard rijm, die uit vier dubbelverzen bestaan met ieder 6 (of 7) heffingen; vaak heeft het vierde dubbelvers een extra heffing.
In het eerste deel van het lied zouden verschillende sagen uit de 6e eeuw (uit het Merovingische rijk) verwerkt zijn; aan het tweede deel ligt waarschijnlijk een Frankische sage uit de 5e eeuw ten grondslag. De hoofdpersoon in het eerste deel is Siegfried (zegeurijt in het mnl.), een koningszoon uit Xanten aan de Nederrijn en eigenaar van de grote schat van het dwergenvolk der Nibelungen. Hij huwt met Kriemhild, de zuster van Gunther (guntheer in het mnl.), een der koningen van de Bourgondiërs. Twisten tussen Kriemhild en Brunhild, de vrouw van Gunther, zijn er de hoofdoorzaak van dat Gunther Siegfried tijdens een jachtpartij laat vermoorden. In het tweede deel staat de wraak van Kriemhild over deze gebeurtenis centraal.
In de 13e eeuw is dit epos in het Brabants vertaald. Van deze vertaling zijn slechts twee fragmenten (origineel of afschrift) bewaard (samen 140 regels). De oorspronkelijke strofenbouw is nog herkenbaar. Ik geef een gedeelte uit het eerste fragment naar de uitgave door M. Gysseling in Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300), II, 1, 's-Gravenhage 1980. (De opgeloste afkortingen zijn hier echter niet gecursiveerd).
Er is een jachtpartij georganiseerd door Gunther (die voor Siegfried noodlottig zal aflopen). Gunther heeft op de hoorn laten blazen ten teken dat het eten klaar is bij zijn tent. Op weg naar de maaltijd weet Siegfried
| 1 | gemeet (20) is een bijvoeglijk naamwoord dat ‘vrolijk, levenslustig’ betekent en dat vaak als vererende toevoeging wordt gebuikt (MNW II, 1346). |
| 2a | die (8): lees diere. (Zie MNW II, 2083) |
| b | Het feit dat de honden in 24 vrij rondlopen, lijkt in tegenspraak met 33 waar vermeld wordt dat ze vastgebonden liggen. Heeft er soms in de oorspronkelijke mnl. tekst riepen gestaan? Het woord roepen wordt in het mnl. vaak gebruikt om geluiden van dieren weer te geven. (Vgl. ook de Duitse strofe 958 uit opmerking 3) |
| 3 | Ter illustratie geef ik twee strofen van de Middelhoogduitse tekst met een vertaling (naar de uitgave door H. Brackert, Frankfurt am Main 1970). Het zijn strofe 958 en 959, die corresponderen met r. 23 t/m 30: |
met blote handen een beer gevangen te nemen, die hij vol trots meeneemt naar de verzamelplaats. Eerst volgt nu de beschrijving van Siegfried, die coene degen.
4 Er bestaat een Nieuwnederlandse vertaling van dit epos door J. de Vries (1954).
| 1 | Wat zou Ay hier uitdrukken? |
| 1 | Wat kun je opmerken over de zinsbouw van dit vers? |
| 2/3 | Wat is de functie van soe in 2? En van soe in 3? Is er verschil? |
| 2 | Wat is een gere? (Let op de aard van de attributen die in de volgende regels vermeld worden.) |
| 2 | Hoe stel je je een lange en brede gere voor? |
| 3 | Wat betekent gegort? Is had een hww of een zww? |
| 4 | dies: Naamval? Waardoor veroorzaakt? Waarnaar verwijst het woordje? |
| 5 | Wat is het object bij hoerde? |
| 5 | Waarom kan het lidwoord voor man ontbreken? |
| 6 | Wat versta je onder enen roc van ziden? (Let op: in 13 blijkt hij nog een roc aan te hebben!) |
| 7 | Van welk materiaal is de hoed vervaardigd en welke kleur heeft hij? |
| 7 | gewaerliker dinc = .... |
| 8 | Waar hing de hoorn aan? (Zie opm. 2a) |
| 8 | Wat kun je opmerken over de zinsconstructie? |
| 8/9 | Is er verwantschap tussen de woorden horen en hornen? |
| 10 | Van welk ww is ouertogen afkomstig? Betekenis? |
| 9/10 | Maak nu duidelijk hoe de boog eruit ziet. |
| 10 | geteme komt van het ww .... Betekenis? Welk zinsdeel is iageren? |
| 11/12 | Vertaal deze regels. Let goed op de enkelvoudige ontkenningen in 12. |
| 14 | wel gemaect na heme: Wat versta je hieronder? |
| 13/14 | Van welk materiaal is deze roc gemaakt? Lijkt dit materiaal je geschikt voor een ‘jachttenue’? |
| 15 | sint: Woordsoort? Betekenis? |
| 15 | Wat wordt hier met die waerheit bedoeld? |
| 15 | al: Woordsoort? Betekenis? |
| 15 | bescheden = .... |
| 16 | Wat versta je onder enen koker al uol strale goet? |
| 17 | Waarbij behoren de bepalingen van - gemaect en vier - breet? Waaruit leid je dat af? |
| 18 | dat: Woordsoort? |
| 18 | Wat zou gereet hier betekenen? |
| 19 | Waarbij is het woord rechte een bepaling? |
| 19 | Wat wordt er hier over zegeurijt gezegd? |
| 20 | Welke functie vervult het? (Zie blz. 45) |
| 20 | sagenne = ...+.... |
| 20 | Hoe is de woordgroep des coninx helde gemeet opgebouwd? |
| 22 | Hoe zou je daer was menech vroe vertalen? |
| 23/24 | Wat wordt er in deze regels meegedeeld? |
| 25 | Benoem redekundig: daer - sach. |
| 26 | vloe komt van het ww .... Betekenis? |
| 26 | al dat hi mach = .... |
| 27/28 | Vertaal deze regels. |
| 29/30 | Zeg in eigen woorden wat hier verhaald wordt. |
| 20 | wat: Woordsoort? En dat? |
| 31 | daer hi sat = .... |
| 32 | sere kan door syncope ontstaan zijn uit de vergrotende trap .... Lijkt je dat hier waarschijnlijk? |
| 32 | Wat is het object bij bat? |
| 34 | Is er verschil tussen gesagen en sagen? |
| 35 | Met welke attributen gaat men achter de beer aan? |
| 37 | Waarom werd er niet geschoten? |
| 39 | wat hi geloepen can = .... Hoe is dit gedeelte met het voorgaande verbonden? Heeft ge- in geloepen dezelfde betekenis als in gesagen (34)? |
| 40 t/m 42 | Vertaal deze regels. |